Remove Ads

English

Detailed Translations for decline from English to Dutch

decline:

to decline verb (declines, declined, declining)

  1. to decline (refuse; reject; turn down)
    afwijzen; weigeren
    • afwijzen verb (wijs af, wijst af, wees af, wezen af, afgewezen)
    • weigeren verb (weiger, weigert, weigerde, weigerden, geweigerd)
  2. to decline (decrease; shrink; remove; )
    declineren; afnemen; verminderen; minder worden; dalen; vervallen; teruggaan; tanen; minderen
    • declineren verb (declineer, declineert, declineerde, declineerden, gedeclineerd)
    • afnemen verb (neem af, neemt af, nam af, namen af, afgenomen)
    • verminderen verb (verminder, vermindert, verminderde, verminderden, verminderd)
    • minder worden verb (word minder, wordt minder, werd minder, werden minder, minder geworden)
    • dalen verb (daal, daalt, daalde, daalden, gedaald)
    • vervallen verb (verval, vervalt, verviel, vervielen, vervallen)
    • teruggaan verb (ga terug, gaat terug, ging terug, gingen terug, teruggegaan)
    • tanen verb (taan, taant, taande, taanden, getaand)
    • minderen verb (minder, mindert, minderde, minderden, geminderd)
  3. to decline (waining; regress)
    declineren; afnemen; achteruitgaan; minder worden
    • declineren verb (declineer, declineert, declineerde, declineerden, gedeclineerd)
    • afnemen verb (neem af, neemt af, nam af, namen af, afgenomen)
    • achteruitgaan verb (ga achteruit, gaat achteruit, ging achteruit, gingen achteruit, achteruitgegaan)
    • minder worden verb (word minder, wordt minder, werd minder, werden minder, minder geworden)
  4. to decline (reject; disapprove; repudiate; )
    afwijzen; verwerpen; afkeuren; afstemmen
    • afwijzen verb (wijs af, wijst af, wees af, wezen af, afgewezen)
    • verwerpen verb (verwerp, verwerpt, verwierp, verwierpen, verworpen)
    • afkeuren verb (keur af, keurt af, keurde af, keurden af, afgekeurd)
    • afstemmen verb (stem af, stemt af, stemde af, stemden af, afgestemd)
  5. to decline
    achteruitgaan; teruggaan; instorten; verteren; bezwijken; verrotten; wegrotten; tenondergaan; vergaan; zinken
    • achteruitgaan verb (ga achteruit, gaat achteruit, ging achteruit, gingen achteruit, achteruitgegaan)
    • teruggaan verb (ga terug, gaat terug, ging terug, gingen terug, teruggegaan)
    • instorten verb (stort in, stortte in, stortten in, ingestort)
    • verteren verb (verteer, verteert, verteerde, verteerden, verteerd)
    • bezwijken verb (bezwijk, bezwijkt, bezweek, bezweken, bezweken)
    • verrotten verb (verrot, verrotte, verrotten, verrot)
    • wegrotten verb (rot weg, rotte weg, rotten weg, weggerot)
    • tenondergaan verb (ga tenonder, gaat tenonder, ging tenonder, gingen tenonder, tenondergegaan)
    • vergaan verb (verga, vergaat, verging, vergingen, vergaan)
    • zinken verb (zink, zinkt, zonk, zonken, gezonken)
  6. to decline (inflect; conjugate)
    declineren; vervoegen; verbuigen
    • declineren verb (declineer, declineert, declineerde, declineerden, gedeclineerd)
    • vervoegen verb (vervoeg, vervoegt, vervoegde, vervoegden, vervoegd)
    • verbuigen verb (verbuig, verbuigt, verboog, verbogen, verbogen)

Conjugations for decline:

present
  1. decline
  2. decline
  3. declines
  4. decline
  5. decline
  6. decline
simple past
  1. declined
  2. declined
  3. declined
  4. declined
  5. declined
  6. declined
present perfect
  1. have declined
  2. have declined
  3. has declined
  4. have declined
  5. have declined
  6. have declined
past continuous
  1. was declining
  2. were declining
  3. was declining
  4. were declining
  5. were declining
  6. were declining
future
  1. shall decline
  2. will decline
  3. will decline
  4. shall decline
  5. will decline
  6. will decline
continuous present
  1. am declining
  2. are declining
  3. is declining
  4. are declining
  5. are declining
  6. are declining
subjunctive
  1. be declined
  2. be declined
  3. be declined
  4. be declined
  5. be declined
  6. be declined
diverse
  1. decline!
  2. let's decline!
  3. declined
  4. declining
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

decline [the ~] noun

  1. the decline (decrease; fall; downfall; crash)
    minder worden; de afname; de terugloop; de val; de daling
  2. the decline (relapse; caving in; falling down; )
    de achteruitgang; de inzinking
  3. the decline (decadence)
    de decadentie; de verwording
  4. the decline
    de grondverzakking

Related Words for "decline":


Synonyms for "decline":


Antonyms for "decline":


Related Definitions for "decline":

  1. a downward slope or bend1
  2. a gradual decrease; as of stored charge or current1
  3. change toward something smaller or lower1
  4. a condition inferior to an earlier condition; a gradual falling off from a better state1
  5. grow worse1
  6. grow smaller1
  7. show unwillingness towards1
    • he declined to join the group on a hike1
  8. inflect for number, gender, case, etc.,1
    • in many languages, speakers decline nouns, pronouns, and adjectives1
  9. go down in value1
  10. go down1
    • The roof declines here1
  11. refuse to accept1

External Machine Translations:
Images:

Related Translations for decline



Remove Ads

Remove Ads