Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for apagar from Spanish to Dutch

apagar:

apagar verb

  1. apagar (parar; desconectar)
    stoppen; afzetten; stilzetten; tot stilstand brengen
  2. apagar (extinguir; extinguirse; ahogar; apagarse)
    doven; smoren; uitblussen; uitdoven
    • doven verb (doof, dooft, doofde, doofden, gedoofd)
    • smoren verb (smoor, smoort, smoorde, smoorden, gesmoord)
    • uitblussen verb
    • uitdoven verb (doof uit, dooft uit, doofde uit, doofden uit, uitgedoofd)
  3. apagar (extinguir)
    doven; blussen; uitblussen; uitdoven
    • doven verb (doof, dooft, doofde, doofden, gedoofd)
    • blussen verb (blus, blust, bluste, blusten, geblust)
    • uitblussen verb
    • uitdoven verb (doof uit, dooft uit, doofde uit, doofden uit, uitgedoofd)
  4. apagar (cerrar)
    uitdoen; uitdraaien
    • uitdoen verb (doe uit, doet uit, deed uit, deden uit, uitgedaan)
    • uitdraaien verb (draai uit, draait uit, draaide uit, draaiden uit, uitgedraaid)
  5. apagar (acotar; cerrar; definir; )
    begrenzen; afbakenen; afzetten; omlijnen; afpalen
    • begrenzen verb (begrens, begrenst, begrenste, begrensten, begrenst)
    • afbakenen verb (baken af, bakent af, bakende af, bakenden af, afgebakend)
    • afzetten verb (zet af, zette af, zetten af, afgezet)
    • omlijnen verb (omlijn, omlijnt, omlijnde, omlijnden, omlijnd)
    • afpalen verb (paal af, paalt af, paalde af, paalden af, afgepaald)
  6. apagar (espirar; soplar)
    uitblazen; uitademen
    • uitblazen verb (blaas uit, blaast uit, blies uit, bliezen uit, uitgeblazen)
    • uitademen verb (adem uit, ademt uit, ademde uit, ademden uit, uitgeademd)
  7. apagar (timar; estafar; colocar; )
    neppen
    • neppen verb (nep, nept, nepte, nepten, genept)
  8. apagar (imprimir; desenroscar; copiar; acabar en; desatornillar)
    prenten
    • prenten verb (prent, prentte, prentten, geprent)
  9. apagar (decir; expresar; pronunciarse; )
    uiten; uitdrukken; verwoorden; uiting geven aan; uitdrukking geven aan; vertolken
    • uiten verb (uit, uitte, uitten, geuit)
    • uitdrukken verb (druk uit, drukt uit, drukte uit, drukten uit, uitgedrukt)
    • verwoorden verb (verwoord, verwoordt, verwoordde, verwoordden, verwoord)
    • uitdrukking geven aan verb (geef uitdrukking aan, geeft uitdrukking aan, gaf uitdrukking aan, gaven uitdrukking aan, uitdrukking gegeven aan)
    • vertolken verb (vertolk, vertolkt, vertolkte, vertolkten, vertolkt)
  10. apagar (silenciar)
    afdempen; afdempen van geluid
  11. apagar
    afsluiten
    • afsluiten verb (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)

Conjugations for apagar:

presente
  1. apago
  2. apagas
  3. apaga
  4. apagamos
  5. apagáis
  6. apagan
imperfecto
  1. apagaba
  2. apagabas
  3. apagaba
  4. apagábamos
  5. apagabais
  6. apagaban
indefinido
  1. apagué
  2. apagaste
  3. apagó
  4. apagamos
  5. apagasteis
  6. apagaron
fut. de ind.
  1. apagaré
  2. apagarás
  3. apagará
  4. apagaremos
  5. apagaréis
  6. apagarán
condic.
  1. apagaría
  2. apagarías
  3. apagaría
  4. apagaríamos
  5. apagaríais
  6. apagarían
pres. de subj.
  1. que apague
  2. que apagues
  3. que apague
  4. que apaguemos
  5. que apaguéis
  6. que apaguen
imp. de subj.
  1. que apagara
  2. que apagaras
  3. que apagara
  4. que apagáramos
  5. que apagarais
  6. que apagaran
miscelánea
  1. ¡apaga!
  2. ¡apagad!
  3. ¡no apagues!
  4. ¡no apaguéis!
  5. apagado
  6. apagando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synonyms for "apagar":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for apagar



Remove Ads

Remove Ads