Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for dirigir from Spanish to Dutch

dirigir:

dirigir verb

  1. dirigir (hacer referencia)
    verwijzen
    • verwijzen verb (verwijs, verwijst, verwees, verwezen, verwezen)
  2. dirigir (mandar; gobernar; guiar; )
    leiden; besturen; aanvoeren; voorzitten; leiding geven; managen
    • leiden verb (leid, leidt, leidde, leidden, geleid)
    • besturen verb (bestuur, bestuurt, bestuurde, bestuurden, bestuurd)
    • aanvoeren verb (voer aan, voert aan, voerde aan, voerden aan, aangevoerd)
    • voorzitten verb (zit voor, zat voor, zaten voor, voorgezeten)
    • managen verb (manage, managed, managde, managden, gemanaged)
  3. dirigir (conducir; estar al volante; llevar el timón)
    sturen; zenden; aan het stuur zitten
  4. dirigir (encabezar; guiar; llevar; )
    leiden; aanvoeren; commanderen; bevel voeren over; leidinggeven
    • leiden verb (leid, leidt, leidde, leidden, geleid)
    • aanvoeren verb (voer aan, voert aan, voerde aan, voerden aan, aangevoerd)
    • commanderen verb (commandeer, commandeert, commandeerde, commandeerden, gecommandeerd)
    • leidinggeven verb (geef leiding, geeft leiding, gaf leiding, gaven leiding, leiding gegeven)
  5. dirigir
    regisseren
    • regisseren verb (regisseer, regisseert, regisseerde, regisseerden, geregisseerd)
  6. dirigir
    adresseren
    • adresseren verb (adresseer, adresseert, adresseerde, adresseerden, geadresseerd)
  7. dirigir (poner la dirección)
    adresseren; adres aanbrengen
  8. dirigir (dirigir una orquesta)
    dirigeren; orkest dirigeren
  9. dirigir (arreglar)
    regelen; arrangeren; afspreken; bedisselen
    • regelen verb (regel, regelt, regelde, regelden, geregeld)
    • arrangeren verb (arrangeer, arrangeert, arrangeerde, arrangeerden, gearrangeerd)
    • afspreken verb (spreek af, spreekt af, sprak af, spraken af, afgesproken)
    • bedisselen verb (bedissel, bedisselt, bedisselde, bedisselden, bedisseld)
  10. dirigir (adaptarse; arreglar; regular)

Conjugations for dirigir:

presente
  1. dirijo
  2. diriges
  3. dirige
  4. dirigimos
  5. dirigís
  6. dirigen
imperfecto
  1. dirigía
  2. dirigías
  3. dirigía
  4. dirigíamos
  5. dirigíais
  6. dirigían
indefinido
  1. dirigí
  2. dirigiste
  3. dirigió
  4. dirigimos
  5. dirigisteis
  6. dirigieron
fut. de ind.
  1. dirigiré
  2. dirigirás
  3. dirigirá
  4. dirigiremos
  5. dirigiréis
  6. dirigirán
condic.
  1. dirigiría
  2. dirigirías
  3. dirigiría
  4. dirigiríamos
  5. dirigiríais
  6. dirigirían
pres. de subj.
  1. que dirija
  2. que dirijas
  3. que dirija
  4. que dirijamos
  5. que dirijáis
  6. que dirijan
imp. de subj.
  1. que dirigiera
  2. que dirigieras
  3. que dirigiera
  4. que dirigiéramos
  5. que dirigierais
  6. que dirigieran
miscelánea
  1. ¡dirige!
  2. ¡dirigid!
  3. ¡no dirijas!
  4. ¡no dirijáis!
  5. dirigido
  6. dirigiendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

dirigir [el ~] noun

  1. el dirigir
    leidinggeven; het besturen

Synonyms for "dirigir":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for dirigir



Remove Ads

Remove Ads