Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for parar from Spanish to Dutch

parar:

parar verb

  1. parar (abandonar; terminar; suspender; )
    ophouden; stoppen; ermee uitscheiden; opgeven; staken; uitscheiden
    • ophouden verb (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen verb (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • opgeven verb (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
    • staken verb (staak, staakt, staakte, staakten, gestaakt)
    • uitscheiden verb (scheid uit, scheidt uit, scheidde uit, scheidden uit, uitgescheiden)
  2. parar (efectuar; terminar; finalizar; )
    beëindigen; afsluiten; eindigen; ophouden; stoppen; een einde maken aan
    • beëindigen verb (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afsluiten verb (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)
    • eindigen verb (eindig, eindigt, eindigde, eindigden, geëindigd)
    • ophouden verb (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen verb (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • een einde maken aan verb (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
  3. parar (detener; cesar; poner freno a; pararse)
    ophouden; stopzetten; remmen; tegenhouden; halt houden; tot staan brengen
    • ophouden verb (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stopzetten verb (zet stop, zette stop, zetten stop, stopgezet)
    • remmen verb (rem, remt, remde, remden, geremd)
    • tegenhouden verb (houd tegen, houdt tegen, hield tegen, hielden tegen, tegengehouden)
    • halt houden verb (houd halt, houdt halt, hield halt, hielden halt, halt gehouden)
    • tot staan brengen verb (breng tot staan, brengt tot staan, bracht tot staan, brachten tot staan, tot staan gebracht)
  4. parar (contrariar; hacer la contra; obstaculizar; )
    tegenwerken; dwarsbomen; dwarsliggen
    • tegenwerken verb (werk tegen, werkt tegen, werkte tegen, werkten tegen, tegengewerkt)
    • dwarsbomen verb (dwarsboom, dwarsboomt, dwarsboomde, dwarsboomden, gedwarsboomd)
    • dwarsliggen verb (lig dwars, ligt dwars, lag dwars, lagen dwars, dwarsgelegen)
  5. parar (apagar; desconectar)
    stoppen; afzetten; stilzetten; tot stilstand brengen
  6. parar (apartar; volver; distraer; volverse)
    afwentelen; afwenden
    • afwentelen verb (wentel af, wentelt af, wentelde af, wentelden af, afgewenteld)
    • afwenden verb (wend af, wendt af, wendde af, wendden af, afgewend)
  7. parar (mantener apartado; rechazar; no admitir; mantener a distancia)
    weghouden
    • weghouden verb (houd weg, houdt weg, hield weg, hielden weg, weggehouden)
  8. parar (desentenderse; dejar; dejar de; )
    opgeven; stoppen; afhaken; ophouden; afzien van; afvallen; eruitstappen; afzeggen
    • opgeven verb (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
    • stoppen verb (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • afhaken verb (haak af, haakt af, haakte af, haakten af, afgehaakt)
    • ophouden verb (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • afzien van verb
    • afvallen verb (val af, valt af, viel af, vielen af, afgevallen)
    • afzeggen verb (zeg af, zegt af, zei af, zeiden af, afgezegd)
  9. parar
  10. parar (desviar)
    pareren; afweren; weren
    • pareren verb (pareer, pareert, pareerde, pareerden, gepareerd)
    • afweren verb (weer af, weert af, weerde af, weerden af, afgeweerd)
    • weren verb (weer, weert, weerde, weerden, geweerd)
  11. parar (abandonar; terminar; hacer huelga; ponerse en huelga)
    spieken; afkijken
    • spieken verb (spiek, spiekt, spiekte, spiekten, gespiekt)
    • afkijken verb (kijk af, kijkt af, keek af, keken af, afgekeken)
  12. parar (estar; detenerse; estar parado)

Conjugations for parar:

presente
  1. paro
  2. paras
  3. para
  4. paramos
  5. paráis
  6. paran
imperfecto
  1. paraba
  2. parabas
  3. paraba
  4. parábamos
  5. parabais
  6. paraban
indefinido
  1. paré
  2. paraste
  3. paró
  4. paramos
  5. parasteis
  6. pararon
fut. de ind.
  1. pararé
  2. pararás
  3. parará
  4. pararemos
  5. pararéis
  6. pararán
condic.
  1. pararía
  2. pararías
  3. pararía
  4. pararíamos
  5. pararíais
  6. pararían
pres. de subj.
  1. que pare
  2. que pares
  3. que pare
  4. que paremos
  5. que paréis
  6. que paren
imp. de subj.
  1. que parara
  2. que pararas
  3. que parara
  4. que paráramos
  5. que pararais
  6. que pararan
miscelánea
  1. ¡para!
  2. ¡parad!
  3. ¡no pares!
  4. ¡no paréis!
  5. parado
  6. parando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

parar [el ~] noun

  1. el parar
    het verblijven

Synonyms for "parar":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for parar



Remove Ads

Remove Ads