Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for tomar from Spanish to Dutch

tomar:

tomar verb

  1. tomar (coger; buscar; obtener; )
    pakken; halen
    • pakken verb (pak, pakt, pakte, pakten, gepakt)
    • halen verb (haal, haalt, haalde, haalden, gehaald)
  2. tomar (comer; aprovechar; cenar; consumir; comerse)
    eten
    – iets als voedsel tot je nemen 1
    • eten verb (eet, at, aten, gegeten)
      • hij eet een appel1
    opeten
    • opeten verb (eet op, at op, aten op, opgegeten)
  3. tomar (consumir; comerse; usar; aprovechar)
    consumeren; verbruiken; gebruiken
    • consumeren verb (consumeer, consumeert, consumeerde, consumeerden, geconsumeerd)
    • verbruiken verb (verbruik, verbruikt, verbruikte, verbruikten, verbruikt)
    • gebruiken verb (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
  4. tomar (coger; abordar; tratar; enfocar)
    aanpakken; aanvatten
    • aanpakken verb (pak aan, pakt aan, pakte aan, pakten aan, aangepakt)
    • aanvatten verb (vat aan, vatte aan, vatten aan, aangevat)
  5. tomar (azotar; pegar; alcanzar; )
    treffen; beroeren; raken
    • treffen verb (tref, treft, trof, troffen, getroffen)
    • beroeren verb (beroer, beroert, beroerde, beroerden, beroerd)
    • raken verb (raak, raakt, raakte, raakten, geraakt)
  6. tomar (anexar; adoptar; incorporar; anexionar)
    overnemen; annexeren; inlijven
    • overnemen verb (overneem, overneemt, overnam, overnamen, overnomen)
    • annexeren verb (annexeer, annexeert, annexeerde, annexeerden, geannexeerd)
    • inlijven verb (lijf in, lijft in, lijfde in, lijfden in, ingelijfd)
  7. tomar (comer; cenar; estar a la mesa)
    dineren; uitgebreid eten; tafelen
    • dineren verb (dineer, dineert, dineerde, dineerden, gedineerd)
    • uitgebreid eten verb (eet uitgebreid, at uitgebreid, aten uitgebreid, uitgereid gegeten)
    • tafelen verb (tafel, tafelt, tafelde, tafelden, getafeld)
  8. tomar (utilizar; usar; aprovechar; )
    gebruiken; toepassen; gebruik maken van; benutten; aanwenden
    • gebruiken verb (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • toepassen verb (pas toe, past toe, paste toe, pasten toe, toegepast)
    • gebruik maken van verb (maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
    • benutten verb (benut, benutte, benutten, benut)
    • aanwenden verb (wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
  9. tomar (engullir; comer; jalar; )
    binnenkrijgen; opslokken; zwelgen
    • binnenkrijgen verb (krijg binnen, krijgt binnen, kreeg binnen, kregen binnen, binnengekregen)
    • opslokken verb (slok op, slokt op, slokte op, slokten op, opgeslokt)
    • zwelgen verb (zwelg, zwelgt, zwolg, zwolgen, gezwolgen)
  10. tomar (tragarse; tragar; engullir; ingerir)
    slikken; doorslikken
    • slikken verb (slik, slikt, slikte, slikten, geslikt)
    • doorslikken verb (slik door, slikt door, slikte door, slikten door, doorgeslikt)
  11. tomar (pisar)
    betreden; te voet afleggen; bewandelen; belopen
    • betreden verb (betreed, betreedt, betrad, betraden, betreden)
    • bewandelen verb (bewandel, bewandelt, bewandelde, bewandelden, bewandeld)
    • belopen verb (beloop, beloopt, beliep, beliepen, beloopt)
  12. tomar (coger; agarrar; encadenar; cautivar; poner las esposas)
    boeien; ketenen; binden; kluisteren
    • boeien verb (boei, boeit, boeide, boeiden, geboeid)
    • ketenen verb (keten, ketent, ketende, ketenden, geketend)
    • binden verb (bind, bindt, bond, bonden, gebonden)
    • kluisteren verb (kluister, kluistert, kluisterde, kluisterden, gekluisterd)
  13. tomar (examinar; revisar; reconocer; )
    controleren; inspecteren; examineren; schouwen; keuren
    • controleren verb (controleer, controleert, controleerde, controleerden, gecontroleerd)
    • inspecteren verb (inspecteer, inspecteert, inspecteerde, inspecteerden, geïnspecteerd)
    • examineren verb (examineer, examineert, examineerde, examineerden, geëxamineerd)
    • schouwen verb (schouw, schouwt, schouwde, schouwden, geschouwd)
    • keuren verb (keur, keurt, keurde, keurden, gekeurd)
  14. tomar (pegar; golpear; batir; )
  15. tomar (obsesionar; fascinar; coger; )
    obsederen
    • obsederen verb (obsedeer, obsedeert, obsedeerde, obsedeerden, geobsedeerd)
  16. tomar (comerse; comer; aprovechar; )
    opeten; vreten; opvreten
    • opeten verb (eet op, at op, aten op, opgegeten)
    • vreten verb (vreet, vrat, vraten, gevreten)
    • opvreten verb (vreet op, vrat op, vraten op, opgevreten)
  17. tomar (atrapar; comprender; detener; )
    snappen; betrappen
    • snappen verb (snap, snapt, snapte, snapten, gesnapt)
    • betrappen verb (betrap, betrapt, betrapte, betrapten, betrapt)
  18. tomar (tragar; ingerir; tragarse)
    doorslikken; inslikken
    • doorslikken verb (slik door, slikt door, slikte door, slikten door, doorgeslikt)
    • inslikken verb (slik in, slikt in, slikte in, slikten in, ingeslikt)

Conjugations for tomar:

presente
  1. tomo
  2. tomas
  3. toma
  4. tomamos
  5. tomáis
  6. toman
imperfecto
  1. tomaba
  2. tomabas
  3. tomaba
  4. tomábamos
  5. tomabais
  6. tomaban
indefinido
  1. tomé
  2. tomaste
  3. tomó
  4. tomamos
  5. tomasteis
  6. tomaron
fut. de ind.
  1. tomaré
  2. tomarás
  3. tomará
  4. tomaremos
  5. tomaréis
  6. tomarán
condic.
  1. tomaría
  2. tomarías
  3. tomaría
  4. tomaríamos
  5. tomaríais
  6. tomarían
pres. de subj.
  1. que tome
  2. que tomes
  3. que tome
  4. que tomemos
  5. que toméis
  6. que tomen
imp. de subj.
  1. que tomara
  2. que tomaras
  3. que tomara
  4. que tomáramos
  5. que tomarais
  6. que tomaran
miscelánea
  1. ¡toma!
  2. ¡tomad!
  3. ¡no tomes!
  4. ¡no toméis!
  5. tomado
  6. tomando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

tomar [el ~] noun

  1. el tomar (agarrar; coger)
    beetnemen; de greep; beetpakken; vastpakken

Synonyms for "tomar":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for tomar



Remove Ads

Remove Ads