Remove Ads

French

Detailed Translations for peine from French to Dutch

peine:

peine [la ~] noun

  1. la peine (efforts; mal)
    de soesa; de moeite; de inspanning; de last
  2. la peine (mal)
    de pijn; het leed
    • pijn [de ~ (m)] noun
    • leed [het ~] noun
  3. la peine (réclamation; plainte; maladie; )
    de klacht; het bezwaar; het klagen; de grief
  4. la peine (douleur; tristesse; chagrin; )
    het verdriet; de smart; het leed
  5. la peine (incarcération; emprisonnement; détention; )
    de hechtenis; de gevangenisstraf; de boete; de straf; de celstraf
  6. la peine (difficulté; ennui; inconvénient; )
    de moeilijkheid; het probleem; de narigheid; penarie
  7. la peine (souci; inquiétude; préoccupation; )
    de bezorgdheid; de zorg; de verontrusting; de bekommernis; de ongerustheid; de kommer
  8. la peine (tristesse; chagrin; détresse; affliction; désolation)
    de droefheid
  9. la peine (maussaderie; chagrin; souffrance; )
    de ergernis; het chagrijn

Synonyms for "peine":


peine form of peiner:

peiner verb

  1. peiner (se casser la tête; trimer; ruminer)
    tobben
    • tobben verb (tob, tobt, tobde, tobden, getobd)
  2. peiner (besogner; épuiser; se tuer)
    zwoegen; ploeteren; sloven; afbeulen; sappelen; afjakkeren; afsloven; zich afsloven
    • zwoegen verb (zwoeg, zwoegt, zwoegde, zwoegden, gezwoegd)
    • ploeteren verb (ploeter, ploetert, ploeterde, ploeterden, geploeterd)
    • sloven verb (sloof, slooft, sloofte, slooften, geslooft)
    • afbeulen verb (beul af, beult af, beulde af, beulden af, afgebeuld)
    • sappelen verb (sappel, sappelt, sappelde, sappelden, gesappeld)
    • afjakkeren verb (jakker af, jakkert af, jakkerde af, jakkerden af, afgejakkerd)
    • afsloven verb (sloof af, slooft af, sloofde af, sloofden af, afgesloofd)
  3. peiner (travailler dur; se tuer à la tâche; surmener; trimer)
    half dood werken; afbeulen; kapotwerken; een ongeluk werken; hard werken; pezen; sloven; buffelen; aanpoten
    • afbeulen verb (beul af, beult af, beulde af, beulden af, afgebeuld)
    • kapotwerken verb (werk kapot, werkt kapot, werkte kapot, werkten kapot, kapot gewerkt)
    • hard werken verb (werk hard, werkt hard, werkte hard, werkten hard, hard gewerkt)
    • pezen verb (pees, peest, peesde, peesden, gepeesd)
    • sloven verb (sloof, slooft, sloofte, slooften, geslooft)
    • buffelen verb (buffel, buffelt, buffelde, buffelden, gebuffeld)
    • aanpoten verb (poot aan, pootte aan, pootten aan, aangepoot)

Conjugations for peiner:

Présent
  1. peine
  2. peines
  3. peine
  4. peinons
  5. peinez
  6. peinent
imparfait
  1. peinais
  2. peinais
  3. peinait
  4. peinions
  5. peiniez
  6. peinaient
passé simple
  1. peinai
  2. peinas
  3. peina
  4. peinâmes
  5. peinâtes
  6. peinèrent
futur simple
  1. peinerai
  2. peineras
  3. peinera
  4. peinerons
  5. peinerez
  6. peineront
subjonctif présent
  1. que je peine
  2. que tu peines
  3. qu'il peine
  4. que nous peinions
  5. que vous peiniez
  6. qu'ils peinent
conditionnel présent
  1. peinerais
  2. peinerais
  3. peinerait
  4. peinerions
  5. peineriez
  6. peineraient
passé composé
  1. ai peiné
  2. as peiné
  3. a peiné
  4. avons peiné
  5. avez peiné
  6. ont peiné
divers
  1. peine!
  2. peinez!
  3. peinons!
  4. peiné
  5. peinant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Synonyms for "peiner":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for peine



Remove Ads

Remove Ads