French
Detailed Translations for économiser from French to Dutch
économiser: (*Using Word and Sentence Splitter)
- à: naar; toe; naar toe; in; te; van; aan; bij; erbij; erop; ergens naartoe; via; ter; à; daaraan
- économiser: besparen; bezuinigen; matigen; korten; sparen; op bankrekening zetten; geld besparen; minder gebruiken; verzamelen; vergaren; oppotten; opeenhopen; bijeenzamelen; ombuigen; verbuigen; krom buigen; opsparen; zuinig zijn
- avoir: hebben; bezitten; beschikken over; in eigendom hebben; afzetten; bedriegen; oplichten; misleiden; belazeren; bedonderen; besodemieteren; beduvelen; zwendelen; bezit; tegoed; baten; activa; vermogen; geldelijk vermogen; creditnota