Summary

Remove Ads

Dutch

Detailed Translations for beïnvloeden from Dutch to German

beïnvloeden:

beïnvloeden verb (beïnvloed, beïnvloedt, beïnvloedde, beïnvloedden, beïnvloed)

  1. beïnvloeden (treffen; raken)
    treffen; beeinflußen; rühren; anrühren; ansprechen
    • treffen verb (treffe, triffst, trifft, traf, traft, getroffen)
    • rühren verb (rühre, rührst, rührt, rührte, rührtet, gerührt)
    • anrühren verb (rühre an, rührst an, rührt an, rührte an, rührtet an, angerührt)
    • ansprechen verb (spreche an, sprichst an, sprich an, sprach an, spracht an, angesprochen)
  2. beïnvloeden
    beeinflussen; steuern
    • beeinflussen verb (beeinfluße, beeinflußet, beeinflußt, beeinflußte, beeinflußtet, beeinflußt)
    • steuern verb (steuere, steuerst, steuert, steuerte, steuertet, gesteuert)

Conjugations for beïnvloeden:

o.t.t.
  1. beïnvloed
  2. beïnvloedt
  3. beïnvloedt
  4. beïnvloeden
  5. beïnvloeden
  6. beïnvloeden
o.v.t.
  1. beïnvloedde
  2. beïnvloedde
  3. beïnvloedde
  4. beïnvloedden
  5. beïnvloedden
  6. beïnvloedden
v.t.t.
  1. heb beïnvloed
  2. hebt beïnvloed
  3. heeft beïnvloed
  4. hebben beïnvloed
  5. hebben beïnvloed
  6. hebben beïnvloed
v.v.t.
  1. had beïnvloed
  2. had beïnvloed
  3. had beïnvloed
  4. hadden beïnvloed
  5. hadden beïnvloed
  6. hadden beïnvloed
o.t.t.t.
  1. zal beïnvloeden
  2. zult beïnvloeden
  3. zal beïnvloeden
  4. zullen beïnvloeden
  5. zullen beïnvloeden
  6. zullen beïnvloeden
o.v.t.t.
  1. zou beïnvloeden
  2. zou beïnvloeden
  3. zou beïnvloeden
  4. zouden beïnvloeden
  5. zouden beïnvloeden
  6. zouden beïnvloeden
diversen
  1. beïnvloed!
  2. beïnvloedt!
  3. beïnvloed
  4. beïnvloedend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for beïnvloeden:

VerbRelated TranslationsOther Translations
anrühren beïnvloeden; raken; treffen aanraken; aanroeren; aanstippen; dooreenmengen; even aanraken; mengen; ontroeren; raken; treffen; vermengen; voelen
ansprechen beïnvloeden; raken; treffen aanroepen; aanschieten; aanspreken; appelleren aan; appelleren aan het gevoel; bediscussiëren; bepraten; bespreken; doorpraten; doorspreken; erop ingaan; iemand aanspreken; iemand adresseren; iemand toespreken; ingaan op; praaien; praten over; reageren op; spreken tot iemand
beeinflussen beïnvloeden invloed hebben; inwerken
beeinflußen beïnvloeden; raken; treffen
rühren beïnvloeden; raken; treffen aangaan; aangrijpen; beroeren; betreffen; bewegen; iemand raken; iemand treffen; in beweging brengen; mixen; ontroeren; raken; roeren; rondroeren; treffen; verroeren; vertederen; zich bewegen
steuern beïnvloeden aan het stuur zitten; aanvoeren; afspreken; arrangeren; bedisselen; betreden; bevaren; bevel voeren over; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenstappen; binnentreden; commanderen; gezaghebben; heersen; iets regelen; ingaan; karren; koers zetten naar; koersen naar; leiden; leidinggeven; macht uitoefenen; navigeren; overheersen; regelen; regeren; rijden; stevenen; sturen; varen; vliegtuig besturen; zenden
treffen beïnvloeden; raken; treffen aangaan; beroeren; betreffen; bijeen komen; het treffen; iemand raken; iemand treffen; mazzel hebben; ontroeren; raken; samenkomen; tegen het lijf lopen; treffen



Remove Ads




Remove Ads