| Verb | Related Translations | Other Translations |
|
anbieten
|
aanbieden; aanreiken; geven
|
aanbieden; huis-aan-huis-verkopen; indienen; laten zien; leuren; offreren; presenteren; tonen; venten; voorleggen
|
|
ausstellen
|
doneren; geven; schenken
|
distribueren; etaleren; exposeren; goed vinden; ronddelen; tentoonstellen; toestaan; toestemmen; tonen; uitreiken; uitstallen; verdelen; vertonen; voor ogen brengen
|
|
austeilen
|
doneren; geven; schenken
|
distribueren; dulden; duren; goed vinden; goedkeuren; goedvinden; gunnen; inwilligen; laten; permitteren; ronddelen; toelaten; toestaan; toestemmen; trakteren; uitdelen; uitreiken; verdelen; vergunnen
|
|
austragen
|
geven; schenken; verlenen; verstrekken
|
bestellen; doorgeven; doorspelen; doorvertellen; een boodschap uitdragen; inschrijving opheffen; klikken; orderen; rondbrieven; rondvertellen; ten einde dragen; uitdragen; uitspelen; uitstrooien; uitzaaien; verhaal vertellen; verhalen; verklappen; verklikken; verkondigen; verlinken; verraden; vertellen; voldragen
|
|
begünstigen
|
doneren; geven; schenken
|
begunstigen; bevoordelen; bevoorrechten; voorrechten toekennen; voorschuiven; voortrekken
|
|
besorgen
|
geven; schenken; verlenen; verstrekken
|
aanleveren; afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; distribueren; leveren; overhandigen; rondbrengen; ronddelen; thuisbezorgen; toeleveren; uitreiken; verdelen; zich iets verschaffen
|
|
bevorrechten
|
doneren; geven; schenken
|
begunstigen; bevoordelen; voorschuiven; voortrekken
|
|
bevorzugen
|
doneren; geven; schenken
|
begunstigen; bevoordelen; bevoorrechten; prefereren; verkiezen; voorrechten toekennen; voorschuiven; voortrekken
|
|
bieten
|
aanbieden; aanreiken; geven
|
bieden; mobiliseren
|
|
darbieten
|
aanbieden; aanreiken; geven
|
aanbieden; etaleren; figureren; laten zien; offreren; presenteren; tentoonstellen; tonen; uitstallen; vertonen; voorleggen
|
|
darreichen
|
aangeven; aanreiken; afgeven; geven; overgeven; overhandigen; toesteken
|
|
|
einflößen
|
geneesmiddel toedienen; geven; ingeven; toedienen; verstrekken
|
|
|
eingeben
|
geneesmiddel toedienen; geven; ingeven; toedienen; verstrekken
|
afstemmen; dicteren; inboezemen; influisteren; ingeven; inspireren; instellen; intikken; intoetsen; intypen; invoeren; souffleren; typen
|
|
einreichen
|
doneren; geven; schenken
|
aanbieden; afgeven; erop achteruitgaan; geld inleveren; indienen; inleveren; overhandigen; verzenden
|
|
einschenken
|
doneren; geven; schenken
|
bijgieten; ingieten; inschenken; intappen; overgieten; overschenken; overstorten; schenken; serveren; tappen
|
|
erweisen
|
doneren; geven; schenken
|
aantonen; betonen; betuigen; bewaarheid worden; bewijzen; blijken; laten zien; nagaan; presenteren; staven; tonen; uitkomen; verifieren; vertonen; zekerstellen
|
|
geben
|
binnen gieten; doneren; geven; iemand iets toedienen; ingeven; schenken; verstrekken
|
cadeau doen; cadeau geven; distribueren; gunnen; gunst verlenen; ronddelen; schenken; uitreiken; verdelen; vergeven; verschaffen; verstrekken; voorbinden; voordoen; weggeven; wegschenken
|
|
gießen
|
doneren; geven; schenken
|
bijgieten; cadeau doen; cadeau geven; gieten; ingieten; inschenken; intappen; overgieten; overschenken; overstorten; plenzen; schenken; serveren; stortregenen; tappen; vergieten; volschenken; vullen
|
|
hergeben
|
aangeven; aanreiken; geven; reiken; schenken; verlenen; verstrekken
|
vergeven; weggeven; wegschenken
|
|
herreichen
|
geven; schenken; verlenen; verstrekken
|
|
|
herumgeben
|
aangeven; aanreiken; geven; reiken
|
doorgeven; verder reiken
|
|
herüberreichen
|
aangeven; aanreiken; afgeven; geven; overgeven; overhandigen; toesteken
|
|
|
hinhalten
|
aangeven; aanreiken; afgeven; geven; overgeven; overhandigen; reiken; toesteken
|
aanlijnen; aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; hooghouden; in de hoogte houden; laken; nadragen; omhooghouden; ophouden; temporiseren; vertragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden; zoethouden
|
|
hinüberreichen
|
aangeven; aanreiken; afgeven; geven; overgeven; overhandigen; toesteken
|
|
|
ins Haus liefern
|
geven; schenken; verlenen; verstrekken
|
afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; overhandigen; thuisbezorgen
|
|
jemandem etwas verabreichen
|
binnen gieten; geven; iemand iets toedienen; ingeven; verstrekken
|
|
|
liefern
|
geven; schenken; verlenen; verstrekken
|
aanleveren; afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; distribueren; leveren; orderen; overhandigen; ronddelen; thuisbezorgen; toeleveren; uitreiken; verdelen
|
|
präsentieren
|
aanbieden; aanreiken; geven
|
aanbieden; exposeren; laten zien; offreren; presenteren; tentoonstellen; tonen; vertonen; voorleggen
|
|
reichen
|
aanbieden; aangeven; aanreiken; afgeven; geven; overgeven; overhandigen; reiken; schenken; toesteken; verlenen; verstrekken
|
|
|
schenken
|
doneren; geven; schenken
|
cadeau doen; cadeau geven; schenken; vergeven; weggeven; wegschenken
|
|
senden
|
geven; schenken; verlenen; verstrekken
|
afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; orderen; overhandigen; rondstralen; seinen; signalen geven; telegraferen; thuisbezorgen; uitstralen; uitzenden; versturen; verwijzen; verzenden; zenden
|
|
spenden
|
doneren; geven; schenken
|
erdoor jagen
|
|
stiften
|
doneren; geven; schenken
|
cadeau doen; cadeau geven; funderen; gronden; grondvesten; schenken
|
|
verabreichen
|
binnen gieten; geven; iemand iets toedienen; ingeven; verstrekken
|
distribueren; ronddelen; uitreiken; verdelen
|
|
verehren
|
doneren; geven; schenken
|
aanbidden; achten; adoreren; appreciëren; eerbiedigen; hoogachten; hoogschatten; op prijs stellen; respecteren; verafgoden; waarderen
|
|
verordnen
|
geneesmiddel toedienen; geven; ingeven; toedienen; verstrekken
|
aanvoeren; afkondigen; bevel voeren over; bevelen; commanderen; decreteren; dicteren; gebieden; gelasten; ingeven; leiden; leidinggeven; ordonneren; verordenen; verordineren; voorschrijven
|
|
verschenken
|
doneren; geven; schenken
|
cadeau doen; cadeau geven; schenken
|
|
zustellen
|
geven; schenken; verlenen; verstrekken
|
aanleveren; aantijgen; afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; insinueren; leveren; orderen; overhandigen; rondbrengen; thuisbezorgen; toeleveren
|
|
überreichen
|
aangeven; aanreiken; geven; reiken
|
afgeven; distribueren; doorgeven; gunnen; iets toekennen; inleveren; overhandigen; ronddelen; toebedelen; toekennen; toewijzen; uitreiken; verdelen; verder reiken
|
|
-
|
schenken; weggeven
|
|