Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. sukkelend:
  2. sukkelen:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for sukkelend from Dutch to German

sukkelend:


sukkelen:

sukkelen verb (sukkel, sukkelt, sukkelde, sukkelden, gesukkeld)

  1. sukkelen (kwakkelen)
    kränkeln; kränklich sein
    • kränkeln verb (kränkele, kränkelst, kränkelt, kränkelte, kränkeltet, gekränkelt)
    • kränklich sein verb (bin kränklich, bist kränklich, ist kränklich, war kränklich, wart kränklich, kränklich gewesen)

Conjugations for sukkelen:

o.t.t.
  1. sukkel
  2. sukkelt
  3. sukkelt
  4. sukkelen
  5. sukkelen
  6. sukkelen
o.v.t.
  1. sukkelde
  2. sukkelde
  3. sukkelde
  4. sukkelden
  5. sukkelden
  6. sukkelden
v.t.t.
  1. heb gesukkeld
  2. hebt gesukkeld
  3. heeft gesukkeld
  4. hebben gesukkeld
  5. hebben gesukkeld
  6. hebben gesukkeld
v.v.t.
  1. had gesukkeld
  2. had gesukkeld
  3. had gesukkeld
  4. hadden gesukkeld
  5. hadden gesukkeld
  6. hadden gesukkeld
o.t.t.t.
  1. zal sukkelen
  2. zult sukkelen
  3. zal sukkelen
  4. zullen sukkelen
  5. zullen sukkelen
  6. zullen sukkelen
o.v.t.t.
  1. zou sukkelen
  2. zou sukkelen
  3. zou sukkelen
  4. zouden sukkelen
  5. zouden sukkelen
  6. zouden sukkelen
en verder
  1. ben gesukkeld
  2. bent gesukkeld
  3. is gesukkeld
  4. zijn gesukkeld
  5. zijn gesukkeld
  6. zijn gesukkeld
diversen
  1. sukkel!
  2. sukkelt!
  3. gesukkeld
  4. sukkelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for sukkelen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
kränkeln kwakkelen; sukkelen
kränklich sein kwakkelen; sukkelen

Related Words for "sukkelen":


Wiktionary Translations for sukkelen:

sukkelen
verb
  1. kampen met een gebrekkige gezondheid of lichamelijk gebrek
sukkelen
Cross Translation:
FromToVia
sukkelen kränklich sein ail — to be ill