| Noun | Related Translations | Other Translations |
|
break
|
breuk; fractuur
|
lunch; lunchpauze; lunchtijd; middagpauze; onderbreking; ontsnapping; ontvluchting; pauze; rust; rustpauze; rustpoos; rusttijd; schafttijd; schaftuur; speelkwartier; tussenpoos; uitbraak; uitbreken; verpozing
|
|
crack
|
barst; breuk; krak; scheur
|
bam; coryfee; crack; explosie; geweldenaar; kei; kiertje; knak; knal; knik; kraken; ontploffing; plof
|
|
cracking
|
barst; breuk; krak; scheur
|
geknapper; gekraak; splijting
|
|
crash
|
barst; breuk; krak; scheur
|
aanrijding; aanvaring; afname; beurskrach; botsing; collisie; crash; daling; debacle; dreun; ineenstorting; ineenzakking; instorting; klap; knal; krach; kwak; minder worden; smak; terugloop; val; vastloper
|
|
flaw
|
barst; breuk; krak; scheur
|
abuis; blunder; domheid; dwaling; euvel; feil; flater; fout; gebrek; giller; incorrectheid; kwaaltje; manco; mankement; misgreep; misslag; onjuistheid; onvolkomenheid; vergissing; zwakheid
|
|
fraction
|
breuk; breukgetal
|
|
|
fracture
|
breuk; fractuur
|
|
|
interference
|
breuk; interruptie; onderbreking; verbreking
|
bemoeienis; ingreep; inlating; inmenging; interventie; opstootje; ordeverstoring; rel; stoornis; tussenkomst; verstoring
|
|
interruption
|
breuk; interruptie; onderbreking; verbreking
|
onderbreken; onderbreking; storing; verbreken
|
|
intervention
|
breuk; interruptie; onderbreking; verbreking
|
ingreep; inmenging; interventie; tussenkomst
|
|
meddling
|
breuk; interruptie; onderbreking; verbreking
|
|
|
severance
|
breuk; interruptie; onderbreking; verbreking
|
|
| Verb | Related Translations | Other Translations |
|
break
|
|
aan stukken breken; aan stukken slaan; breken; in stukken breken; ingooien; inslaan; kapot maken; kapotbreken; kapotgaan; kapotmaken; kapotslaan; knakken; licht worden; lichten; met opzet kapotmaken; moeren; mollen; onklaar raken; slechten; stukbreken; stukgaan; stukslaan; verbrijzelen; zich misdragen
|
|
crack
|
|
aan stukken springen; een krakend geluid maken; huizen kraken; klieven; kloven; knakken; knallen; knappen; kraken; losbreken; loskoppelen; openbreken; openrukken; opensperren; scheiden; splijten; splitsen; uit elkaar halen; uiteengaan; uiteensplijten; uitsplitsen
|
|
crash
|
|
aanrijden; botsen; crashen; ineenstorten; instorten; ontbinden; op elkaar knallen; op elkaar stoten; rotten; stoten op; vastlopen; vergaan; verongelukken; verrotten; verteren; wegrotten
|
|
fracture
|
|
aan stukken breken; breken; stukbreken
|