Dutch
Detailed Translations for gebied from Dutch to English
gebied:
-
het gebied (kavel; perceel; terrein; bouwterrein)
-
het gebied (landstreek; plaats; regio; streek; gouw; gewest; oord)
the area; the place; the region; the district; the county; the department; the part of the country; the province -
het gebied (zone; terrein; gordel; territorium; streek)
-
het gebied (gewest; provincie; rayon; ressort)
-
het gebied (provincie; rechtsgebied; rayon; ressort; rijksonderdeel; gewest)
-
het gebied
-
het gebied
-
het gebied
-
het gebied
-
het gebied
-
het gebied (navigatieplaats)
the place; the navigation place– A window that is part of the navigation layer in the Dynamics NAV application. 1
Related Words for "gebied":
Synonyms for "gebied":
Related Definitions for "gebied":
gebieden:
-
gebieden (voorschrijven; gelasten)
-
gebieden (verordonneren; opdragen; decreteren; bevelen; verordenen; gelasten; commanderen)
-
gebieden (bevelen; gelasten; opdragen; commanderen; verordenen; decreteren)
-
gebieden (gelasten; voorschrijven; bevelen; dicteren)
Conjugations for gebieden:
o.t.t.
- gebied
- gebiedt
- gebiedt
- gebieden
- gebieden
- gebieden
o.v.t.
- gebood
- gebood
- gebood
- geboden
- geboden
- geboden
v.t.t.
- heb geboden
- hebt geboden
- heeft geboden
- hebben geboden
- hebben geboden
- hebben geboden
v.v.t.
- had geboden
- had geboden
- had geboden
- hadden geboden
- hadden geboden
- hadden geboden
o.t.t.t.
- zal gebieden
- zult gebieden
- zal gebieden
- zullen gebieden
- zullen gebieden
- zullen gebieden
o.v.t.t.
- zou gebieden
- zou gebieden
- zou gebieden
- zouden gebieden
- zouden gebieden
- zouden gebieden
en verder
- ben geboden
- bent geboden
- is geboden
- zijn geboden
- zijn geboden
- zijn geboden
diversen
- gebied!
- gebiedt!
- geboden
- gebiedend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
External Machine Translations:
Images: