Summary
Dutch
Detailed Translations for spoel from Dutch to English
spoel:
-
de spoel (werktuig om garen te winden; haspel; winding; winder; klos)
-
de spoel
-
de spoel (schietspoel; schieter)
-
de spoel (filmspoel)
-
de spoel (band van bandrecorder)
-
de spoel (klos waarop garen gewonden wordt)
Related Words for "spoel":
spoelen:
-
spoelen
-
spoelen (wegspoelen; doorspoelen; doortrekken)
Conjugations for spoelen:
o.t.t.
- spoel
- spoelt
- spoelt
- spoelen
- spoelen
- spoelen
o.v.t.
- spoelde
- spoelde
- spoelde
- spoelden
- spoelden
- spoelden
v.t.t.
- heb gespoeld
- hebt gespoeld
- heeft gespoeld
- hebben gespoeld
- hebben gespoeld
- hebben gespoeld
v.v.t.
- had gespoeld
- had gespoeld
- had gespoeld
- hadden gespoeld
- hadden gespoeld
- hadden gespoeld
o.t.t.t.
- zal spoelen
- zult spoelen
- zal spoelen
- zullen spoelen
- zullen spoelen
- zullen spoelen
o.v.t.t.
- zou spoelen
- zou spoelen
- zou spoelen
- zouden spoelen
- zouden spoelen
- zouden spoelen
en verder
- ben gespoeld
- bent gespoeld
- is gespoeld
- zijn gespoeld
- zijn gespoeld
- zijn gespoeld
diversen
- spoel!
- spoelt!
- gespoeld
- spoelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
Related Words for "spoelen":
External Machine Translations:
Images: