Dutch to English:   more detail...
  1. uitfoeteren:


Detailed Translations for uitfoeteren from Dutch to English


uitfoeteren verb (foeter uit, foetert uit, foeterde uit, foeterden uit, uitgefoeterd)

  1. uitfoeteren (uitschelden; uitkafferen; uitvloeken)
    to scold
    – censure severely or angrily 1
    • scold verb (scolds, scolded, scolding)
      • The mother scolded the child for entering a stranger's car1
    to bawl out; to swear at; to storm at
    • bawl out verb (bawls out, bawled out, bawling out)
    • swear at verb (swears at, swore at, swearing at)
    • storm at verb (storms at, stormed at, storming at)
    to tell off
    – reprimand 1
    • tell off verb (tells off, told off, telling off)
    to tick off
    – make angry 1
    • tick off verb (ticks off, ticked off, ticking off)

Conjugations for uitfoeteren:

  1. foeter uit
  2. foetert uit
  3. foetert uit
  4. foeteren uit
  5. foeteren uit
  6. foeteren uit
  1. foeterde uit
  2. foeterde uit
  3. foeterde uit
  4. foeterden uit
  5. foeterden uit
  6. foeterden uit
  1. heb uitgefoeterd
  2. hebt uitgefoeterd
  3. heeft uitgefoeterd
  4. hebben uitgefoeterd
  5. hebben uitgefoeterd
  6. hebben uitgefoeterd
  1. had uitgefoeterd
  2. had uitgefoeterd
  3. had uitgefoeterd
  4. hadden uitgefoeterd
  5. hadden uitgefoeterd
  6. hadden uitgefoeterd
  1. zal uitfoeteren
  2. zult uitfoeteren
  3. zal uitfoeteren
  4. zullen uitfoeteren
  5. zullen uitfoeteren
  6. zullen uitfoeteren
  1. zou uitfoeteren
  2. zou uitfoeteren
  3. zou uitfoeteren
  4. zouden uitfoeteren
  5. zouden uitfoeteren
  6. zouden uitfoeteren
en verder
  1. ben uitgefoeterd
  2. bent uitgefoeterd
  3. is uitgefoeterd
  4. zijn uitgefoeterd
  5. zijn uitgefoeterd
  6. zijn uitgefoeterd
  1. foeter uit!
  2. foetert uit!
  3. uitgefoeterd
  4. uitfoeterend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for uitfoeteren:

VerbRelated TranslationsOther Translations
bawl out uitfoeteren; uitkafferen; uitschelden; uitvloeken uitgalmen
scold uitfoeteren; uitkafferen; uitschelden; uitvloeken beknorren; schelden op; uitbrander geven
storm at uitfoeteren; uitkafferen; uitschelden; uitvloeken
swear at uitfoeteren; uitkafferen; uitschelden; uitvloeken
tell off uitfoeteren; uitkafferen; uitschelden; uitvloeken uitbrander geven
tick off uitfoeteren; uitkafferen; uitschelden; uitvloeken aanstippen; aanstrepen; aantippen; afvinken; tippen; vinken