Dutch

Detailed Translations for verbreking from Dutch to English

verbreking:

verbreking [de ~ (v)] noun

  1. de verbreking (segregatie; scheiding)
    the separation; the segregation; the divorce; the division; the partition
  2. de verbreking (interruptie; onderbreking; breuk)
    the interruption; the interference; the intervention; the severance; the meddling

Translation Matrix for verbreking:

NounRelated TranslationsOther Translations
division scheiding; segregatie; verbreking afdeling; aftakking; brigade; conflict; departement; detachement; disharmonie; divisie; hoofdgroep; onenigheid; scheuring; schisma; sectie; splitsing; tak; tweedracht; tweespalt; tweestrijd; twist; verdeeldheid; verdeling; vertakking; vete
divorce scheiding; segregatie; verbreking echtscheiding
interference breuk; interruptie; onderbreking; verbreking bemoeienis; ingreep; inlating; inmenging; interventie; opstootje; ordeverstoring; rel; stoornis; tussenkomst; verstoring
interruption breuk; interruptie; onderbreking; verbreking onderbreken; onderbreking; storing; verbreken
intervention breuk; interruptie; onderbreking; verbreking ingreep; inmenging; interventie; tussenkomst
meddling breuk; interruptie; onderbreking; verbreking
partition scheiding; segregatie; verbreking afscheiding; afsluiting; beschot; dichtmaken; dwarsschot; hek; hekwerk; het afsluiten; partitie; schijfpartitie; schot; sluiting; tussenmuur; tussenmuurtje; tussenschot; verdeling
segregation scheiding; segregatie; verbreking
separation scheiding; segregatie; verbreking afscheiding; afzondering; isolering
severance breuk; interruptie; onderbreking; verbreking
VerbRelated TranslationsOther Translations
divorce loskoppelen; scheiden; splitsen; uit elkaar gaan; uit elkaar halen; uiteengaan; uitsplitsen