Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. bellen:
  2. bel:
  3. User Contributed Translations for bellen:
    • llamarse

Remove Ads

Dutch

Detailed Translations for bellen from Dutch to Spanish

bellen:

Conjugations for bellen:

o.t.t.
  1. bel
  2. belt
  3. belt
  4. bellen
  5. bellen
  6. bellen
o.v.t.
  1. belde
  2. belde
  3. belde
  4. belden
  5. belden
  6. belden
v.t.t.
  1. heb gebeld
  2. hebt gebeld
  3. heeft gebeld
  4. hebben gebeld
  5. hebben gebeld
  6. hebben gebeld
v.v.t.
  1. had gebeld
  2. had gebeld
  3. had gebeld
  4. hadden gebeld
  5. hadden gebeld
  6. hadden gebeld
o.t.t.t.
  1. zal bellen
  2. zult bellen
  3. zal bellen
  4. zullen bellen
  5. zullen bellen
  6. zullen bellen
o.v.t.t.
  1. zou bellen
  2. zou bellen
  3. zou bellen
  4. zouden bellen
  5. zouden bellen
  6. zouden bellen
diversen
  1. bel!
  2. belt!
  3. gebeld
  4. bellend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

bellen [het ~] noun

  1. het bellen (opbellen)
    la llamada; el telefonazo
  2. het bellen (aanbellen)
    el llamar; el tocar el timbre; el llamar a la puerta

Translation Matrix for bellen:

NounRelated TranslationsOther Translations
llamada bellen; opbellen appèl; belletje; faam; geroep; geschreeuw; gesprek door de telefoon; kloppen; lokfluitje; lokroep; loktoon; naam; oproep; reputatie; roep; roepstem; telefonisch bericht; telefoongesprek; telefoontje; verwijsbrief; verwijzing; zoeken
llamar aanbellen; bellen wegroepen
llamar a la puerta aanbellen; bellen aankloppen
telefonazo bellen; opbellen belletje; gesprek door de telefoon; kleine telefoon; telefonisch bericht; telefoongesprek; telefoontje
tocar el timbre aanbellen; bellen
VerbRelated TranslationsOther Translations
hacer sonar bellen; overgaan
llamar aanbellen; aanroepen; bellen; door de telefoon praten; iemand opbellen; opbellen; telefoneren; telefoontje plegen aanroepen; aanschrijven; aanzeggen; benoemen; bestempelen; betitelen; een naam geven; erbij halen; erbij roepen; erbij zeggen; inroepen; inviteren; kennis geven; konde doen; laten komen; noemen; ontbieden; oproepen; sommeren; tevoorschijn roepen; vermelden; vernoemen
llamar a la puerta aanbellen; bellen bonzen; luiden
llamar por teléfono bellen; door de telefoon praten; iemand opbellen; opbellen; telefoneren; telefoontje plegen
sonar bellen; overgaan beieren; doorklinken; echoën; galmen; geluid maken; klank voortbrengen; kletteren; klingelen; klinken; luiden; met krachtige stem zingen; naklinken; rammelen; rinkelen; schallen; tingelen; tinkelen; weerklinken; weerschallen
telefonear bellen; door de telefoon praten; iemand opbellen; opbellen; telefoneren; telefoontje plegen
- opbellen; telefoneren

Related Words for "bellen":


Synonyms for "bellen":


Related Definitions for "bellen":

  1. helder geluid laten klinken1
    • Doe de deur eens open, er wordt gebeld1
  2. door middel van een apparaat (de telefoon) op afstand met iemand praten1
    • ik bel je vanavond1

bellen form of bel:

bel [de ~] noun

  1. de bel (schel)
    el llamador; el timbre

Translation Matrix for bel:

NounRelated TranslationsOther Translations
llamador bel; schel
timbre bel; schel belknop; belsignaal; deurbel; intonatie; klankkleur; klanktint; lakstempel; lakzegel; overgaan; timbre; toonkleur

Related Words for "bel":




Remove Ads




Remove Ads