Summary
Dutch to Spanish: more detail...
- bellen:
- bel:
-
User Contributed Translations for bellen:
- llamarse
Dutch
Detailed Translations for bellen from Dutch to Spanish
bellen:
-
bellen (aanbellen)
-
bellen (opbellen; telefoontje plegen; iemand opbellen)
-
bellen (aanroepen)
-
bellen (overgaan)
Conjugations for bellen:
o.t.t.
- bel
- belt
- belt
- bellen
- bellen
- bellen
o.v.t.
- belde
- belde
- belde
- belden
- belden
- belden
v.t.t.
- heb gebeld
- hebt gebeld
- heeft gebeld
- hebben gebeld
- hebben gebeld
- hebben gebeld
v.v.t.
- had gebeld
- had gebeld
- had gebeld
- hadden gebeld
- hadden gebeld
- hadden gebeld
o.t.t.t.
- zal bellen
- zult bellen
- zal bellen
- zullen bellen
- zullen bellen
- zullen bellen
o.v.t.t.
- zou bellen
- zou bellen
- zou bellen
- zouden bellen
- zouden bellen
- zouden bellen
diversen
- bel!
- belt!
- gebeld
- bellend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
Translation Matrix for bellen:
Related Words for "bellen":
Synonyms for "bellen":
Related Definitions for "bellen":
bellen form of bel:
Translation Matrix for bel:
| Noun | Related Translations | Other Translations |
| llamador | bel; schel | |
| timbre | bel; schel | belknop; belsignaal; deurbel; intonatie; klankkleur; klanktint; lakstempel; lakzegel; overgaan; timbre; toonkleur |