Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. bij:

Remove Ads

Dutch

Detailed Translations for bij from Dutch to Spanish

bij:

bij adj

  1. bij (erbij; erop)
    en; por; a

bij

  1. bij (ter; via; te)

bij [de ~] noun

  1. de bij (honingbij)
    la abeja melífera; la abeja; la abeja doméstica

Translation Matrix for bij:

NounRelated TranslationsOther Translations
abeja bij; honingbij
abeja doméstica bij; honingbij
abeja melífera bij; honingbij
PrepositionRelated TranslationsOther Translations
a te
OtherRelated TranslationsOther Translations
a la bij; te; ter; via
al bij; te; ter; via
en bij; te; ter; via
ModifierRelated TranslationsOther Translations
a bij; erbij; erop aan; ertoe; naar; naar toe; om; omtrent; ongeveer; toe; vanwege; wegens
al bij de
en bij; erbij; erop bij de; in; te
por bij; erbij; erop daarvoor; ervoor; gepasseerd; om; omtrent; ongeveer; over; over dit; overheen; per; vanwege; voor; voorbij; wegens; à

Related Words for "bij":

  • bijen

Related Definitions for "bij":

  1. bij kennis, wakker1
    • na de operatie was hij al snel weer bij1
  2. in de buurt van1
    • zet je schoenen maar bij de kachel1
  3. insekt dat honing maakt en kan steken1
    • de bijen zwermden om de korf1
  4. net zover als de anderen1
    • ik ben nog niet bij met m'n huiswerk1
  5. om aan te geven dat je er was1
    • ik was ook bij het feest1
  6. om aan te geven dat je iets toevoegt1
    • mag ik er nog wat suiker bij?1
  7. slim, met een vlug verstand1
    • Iris is goed bij1

Related Translations for bij



Remove Ads




Remove Ads