Dutch
Detailed Translations for druk from Dutch to Spanish
druk:
-
druk (drukbezet; bezet)
-
druk (bedrijvig; actief; bezig)
-
druk (drukpratend; geanimeerd)
-
de druk (pressie; dwang)
-
de druk (oplage; uitgave)
-
de druk (financiële last)
Translation Matrix for druk:
Related Words for "druk":
Synonyms for "druk":
Antonyms for "druk":
Related Definitions for "druk":
druk form of drukken:
Conjugations for drukken:
o.t.t.
- druk
- drukt
- drukt
- drukken
- drukken
- drukken
o.v.t.
- drukte
- drukte
- drukte
- drukten
- drukten
- drukten
v.t.t.
- heb gedrukt
- hebt gedrukt
- heeft gedrukt
- hebben gedrukt
- hebben gedrukt
- hebben gedrukt
v.v.t.
- had gedrukt
- had gedrukt
- had gedrukt
- hadden gedrukt
- hadden gedrukt
- hadden gedrukt
o.t.t.t.
- zal drukken
- zult drukken
- zal drukken
- zullen drukken
- zullen drukken
- zullen drukken
o.v.t.t.
- zou drukken
- zou drukken
- zou drukken
- zouden drukken
- zouden drukken
- zouden drukken
diversen
- druk!
- drukt!
- gedrukt
- drukkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
-
het drukken (afdrukken)