Dutch

Detailed Translations for open from Dutch to Spanish

open:


Translation Matrix for open:

NounRelated TranslationsOther Translations
claro helderheid; klaarheid; lichtsterkte
franco franc; frank
honesto eerlijke; rechtschapene
honrado eerlijke; rechtschapene
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
abierto benaderbaar; frank; genaakbaar; niet dicht; onbewimpeld; onomwonden; onverholen; open; openhartig; oprecht; rechttoe; ronduit; toegankelijk; vrij; vrijelijk; vrijuit aangebroken; attent; cru; galant; geopend; hoffelijk; met open vizier; onbevangen; onomwonden; ontsloten; ontvankelijk; onverbloemd; onverholen; openbaar; opengelegd; opengemaakt; opengesprongen; opengesteld; openlijk; openstaand; publiek; rechttoe rechtaan; ridderlijk; rondborstig; vatbaar; volmondig; voorkomend
- leeg
ModifierRelated TranslationsOther Translations
abiertamente niet dicht; onbewimpeld; onomwonden; onverholen; open; openhartig; oprecht; ronduit; vrij; vrijelijk; vrijuit attent; contemplatief; cru; eerlijk; fideel; galant; gewoonweg; gladweg; hoffelijk; onomwonden; onverbloemd; onverholen; openhartig; openlijk; oprecht; rechttoe rechtaan; ridderlijk; rondborstig; ronduit; trouwhartig; voorkomend
accesible benaderbaar; genaakbaar; open; toegankelijk aanspreekbaar; begaanbaar; benaderbaar; bereikbaar; genaakbaar; toegankelijk; toeschietelijk
claramente onbewimpeld; onomwonden; onverholen; open; openhartig; oprecht; ronduit; vrij; vrijelijk; vrijuit cru; gewoonweg; gladweg; onomwonden; onverbloemd; onverholen; openlijk; rechttoe rechtaan; ronduit
claro onbewimpeld; onomwonden; onverholen; open; openhartig; oprecht; ronduit; vrij; vrijelijk; vrijuit 'tuurlijk; aanschouwelijk; algemeen begrijpbaar; allicht; begrepen; begrijpelijk; bevatbaar; bevattelijk; bijgevolg; blank; bleek; cru; direct; doorgrond; doorzien; duidelijk; dus; echt; eenduidig; flagrant; gevat; gewoonweg; helder; herkenbaar; heus; inzichtelijk; klaar; klaar als een klontje; klare; klinkklaar; kuis; licht; lichtgevend; logisch; lumineus; natuurlijk; net; niet donker; onbewolkt; ondubbelzinnig; ongelakt; onmiskenbaar; onomwonden; onontkomelijk; onverbloemd; onverholen; onvermengd; onversneden; openlijk; overduidelijk; overzichtelijk; pips; pure; puur; recht door zee; rechttoe; rechttoe rechtaan; regelrecht; rein; scherpzinnig; schoon; schrander; slim; snedig; uiteraard; uitgeslapen; vanzelfsprekend; verhelderend; verstaanbaar; werkelijk; zeker; zo klaar als een klontje; zonder twijfel; zonneklaar; zuiver; zuivere
con franqueza onbewimpeld; onomwonden; onverholen; open; openhartig; oprecht; ronduit; vrij; vrijelijk; vrijuit cru; gulweg; onomwonden; onverbloemd; onverholen; openlijk; rechttoe rechtaan
correcto eerlijk; open; oprecht; rechtschapen beschaafd; chic; correct; deugdzaam; eerlijk; eerzaam; elegant; esthetisch; fair; fatsoenlijk; foutloos; gepast; goed; juist; keurig; modieuze verfijning; netjes; netto; onbelast; onberispelijk; onbesproken; onvermengd; onversneden; ordentelijk; perfect; precies; puur; sec; smaakvol; stijlvol; terdege; verfijnd; volmaakt; wel degelijk; welgemanierd; welopgevoed; zedig; zuiver
francamente onbewimpeld; onomwonden; onverholen; open; openhartig; oprecht; ronduit; vrij; vrijelijk; vrijuit botweg; cru; doodgewoon; eerlijk; fideel; gemeen; gewoonweg; gladweg; gulweg; klinkklaar; laag; laag-bij-de-grond; laaghartig; onedel; onomwonden; onverbloemd; onverholen; onvermengd; openhartig; openlijk; oprecht; puur; rechttoe; rechttoe rechtaan; regelrecht; rondborstig; ronduit; trouwhartig; zuiver
franco frank; onbewimpeld; onomwonden; onverholen; open; openhartig; oprecht; rechttoe; ronduit; vrij; vrijelijk; vrijuit eerlijk; fideel; franco; gratis; kosteloos; onbelemmerd; onbevangen; ongeveinsd; onverhuld; openhartig; oprecht; pro deo; rondborstig; trouwhartig; volmondig; voor niets; vrachtvrij; zonder kosten
honesto eerlijk; open; oprecht; rechtschapen betamelijk; betrouwbaar; braaf; braafjes; degelijk; degelijke; deugdelijk; deugdzaam; echt; eerbaar; eerlijk; eerzaam; fair; fatsoenlijk; fideel; gedegen; geschikt; in hart en nieren; integer; keurig; kies; kuis; net; netjes; onbesproken; ongeveinsd; onkreukbaar; openhartig; oprecht; ordentelijk; rechtgeaard; rechtschapen; rechtvaardig; rein; respectabel; rondborstig; schoon; tof; trouwhartig; van goede hoedanigheid; welgevoeglijk; welvoeglijk; zedig
honrado eerlijk; open; oprecht; rechtschapen braaf; contemplatief; deugdzaam; eerbaar; eerlijk; eerzaam; fair; fatsoenlijk; fideel; getrouw; keurig; kies; loyaal; netjes; openhartig; oprecht; ordentelijk; rechtgeaard; rechtschapen; rechtvaardig; respectabel; rondborstig; trouw; trouwhartig; zedig
sin ambages onbewimpeld; onomwonden; onverholen; open; openhartig; oprecht; ronduit; vrij; vrijelijk; vrijuit
sin reserva onbewimpeld; onomwonden; onverholen; open; openhartig; oprecht; ronduit; vrij; vrijelijk; vrijuit cru; onomwonden; onverbloemd; onverholen; openlijk; rechttoe rechtaan
sin rodeos benaderbaar; frank; genaakbaar; onbewimpeld; onomwonden; onverholen; open; openhartig; oprecht; rechttoe; ronduit; toegankelijk; vrij; vrijelijk; vrijuit botweg; gladaf; onbewimpeld; onomwonden; onverbloemd; onverholen; openhartig; platweg; rechtaan; ronduit; ruiterlijk; zonder omwegen
sin trabas onbewimpeld; onomwonden; onverholen; open; openhartig; oprecht; ronduit; vrij; vrijelijk; vrijuit onbegrensd; onbelemmerd; onbepaald; onbeperkt; ongehinderd; ongelimiteerd; ongemoeid; ongestoord; onverstoord; vrijuit
sincero eerlijk; onbewimpeld; onomwonden; onverholen; open; openhartig; oprecht; rechtschapen; ronduit; vrij; vrijelijk; vrijuit braaf; diep; diepgevoeld; echt; eerlijk; fair; fideel; gemeend; goedbedoeld; innig; intens; intensief; intiem; menens; ongeveinsd; openhartig; oprecht; rechtgeaard; rechtschapen; rechtvaardig; rondborstig; ronduit; trouwhartig; van harte; vertrouwelijk; volmondig; welgemeend
íntegro eerlijk; open; oprecht; rechtschapen eerlijk; faliekant; fideel; finaal; gaaf; hartstikke; helemaal; integer; maagdelijk; onaangebroken; onaangeraakt; onaangeroerd; onaangetast; onbeschadigd; onbesproken; ongebruikt; ongeopend; ongerept; onkreukbaar; onverkort; openhartig; oprecht; puntgaaf; puur; rechtschapen; rondborstig; trouwhartig; vierkant; virginaal; volstrekt; zuiver

Related Words for "open":


Synonyms for "open":


Antonyms for "open":


Related Definitions for "open":

  1. niet ingevuld1
    • laat dat vakje maar open1
  2. niet afgesloten, waar je zo bij kunt1
    • kom maar verder, de deur is open1
  3. wie goed contact heeft met zijn omgeving1
    • ze is erg open, ze praat met iedereen1

Wiktionary Translations for open:


Cross Translation:
FromToVia
open franco frank — bluntly honest
open libre; obstáculo; despejado free — unobstructed
open abierto open — not closed
open abierto open — prepared to conduct business
open abierto open — receptive
open abierto aufundeklinierbar: umgangssprachlich für „offen“
open libre libre — Qui a le pouvoir de faire ce qu’il vouloir, d’agir ou de ne pas agir.
open abierto ouvert — Qui n’est pas fermé.

openen:

Conjugations for openen:

o.t.t.
  1. open
  2. opent
  3. opent
  4. openen
  5. openen
  6. openen
o.v.t.
  1. opende
  2. opende
  3. opende
  4. openden
  5. openden
  6. openden
v.t.t.
  1. heb geopend
  2. hebt geopend
  3. heeft geopend
  4. hebben geopend
  5. hebben geopend
  6. hebben geopend
v.v.t.
  1. had geopend
  2. had geopend
  3. had geopend
  4. hadden geopend
  5. hadden geopend
  6. hadden geopend
o.t.t.t.
  1. zal openen
  2. zult openen
  3. zal openen
  4. zullen openen
  5. zullen openen
  6. zullen openen
o.v.t.t.
  1. zou openen
  2. zou openen
  3. zou openen
  4. zouden openen
  5. zouden openen
  6. zouden openen
en verder
  1. ben geopend
  2. bent geopend
  3. is geopend
  4. zijn geopend
  5. zijn geopend
  6. zijn geopend
diversen
  1. open!
  2. opent!
  3. geopend
  4. openend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for openen:

NounRelated TranslationsOther Translations
abrir opendoen; openmaken
comenzar aanheffen; inzetten
crecer aanwassen; aanzwellen
empezar aanheffen; aansnijden; entameren; inzetten
hincharse wassen; zwellen
iniciar aansnijden; entameren
lanzar gesmijt; omhoog werpen; opwerpen
VerbRelated TranslationsOther Translations
abordar aankaarten; aanknopen; aansnijden; entameren; gesprek aanknopen; openen; opwerpen; starten; te berde brengen; ter sprake brengen aankaarten; aanklampen; aanpakken; aansnijden; aanvatten; aanvoeren; beetgrijpen; beetpakken; entameren; enteren; grijpen; onderhanden nemen; onderuithalen; op tafel leggen; opperen; opwerpen; te berde brengen; tekkelen; ter sprake brengen; vastklampen; vastpakken
abrir aankaarten; aanknopen; aansnijden; entameren; gesprek aanknopen; inleiden; ontsluiten; opendoen; openen; openmaken; openstellen; opwerpen; starten; te berde brengen; ter sprake brengen; toegankelijk maken; vrijgeven afbakenen; afpalen; afzetten; beginnen; begrenzen; inluiden; kraken; losbreken; loskrijgen; losmaken; losslaan; lostornen; omlijnen; ontgrendelen; ontsluiten; openbreken; openleggen; openschuiven; openslaan; opentrekken; starten; tornen; uithalen; uittrekken
abrirse ontsluiten; opendraaien; openen; openstellen; toegankelijk maken; vrijgeven conveniëren; deugen; geschikt zijn; losgaan; opengaan; openvliegen; passen; passend zijn; uit ei kruipen; uitkomen
abrirse paso openen; openstellen; toegankelijk maken; vrijgeven aandringen; door iets heen drukken; doordrammen; doordrukken; doorstoten; drammen; drukkend door iets heen brengen; een weg vrijmaken; zeuren; zich een weg banen
agrandar expanderen; openen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden talrijker maken; uitbreiden; vergroten; vermeerderen
ampliar expanderen; openen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden bijdoen; bijsluiten; bijvoegen; breder maken; erbij voegen; toevoegen; verbreden
aumentar aankaarten; aanknopen; aansnijden; entameren; expanderen; gesprek aanknopen; openen; opwerpen; starten; te berde brengen; ter sprake brengen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; bezwaren; de hoogte ingaan; gedijen; gewicht toevoegen; groeien; groter worden; omhooggaan; opvoeren; opzetten; stijgen; toenemen; vergroten; vermeerderen; verzwaren; zwaarder maken
añadir a expanderen; openen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden
comenzar inleiden; openen aanbinden; aanbreken; aangaan; aanknopen; aanleren; aansteken; aantreden; aanvangen; aanwenden; arrangeren; beginnen; benutten; een begin nemen; eigen maken; gebruik maken van; gebruiken; iets op touw zetten; in de fik steken; inrichten; installeren; intreden; inzetten; leren; ondernemen; op gang komen; oppikken; opsteken; regelen; sigaret opsteken; starten; toepassen; toetreden; van start gaan; verwerven
construir expanderen; openen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden aanbouwen; aanbrengen; aanleggen; arrangeren; bebouwen; bijbouwen; bouwen; construeren; iets op touw zetten; in elkaar timmeren; ineentimmeren; inrichten; installeren; metselen; monteren en aansluiten; opbouwen; plaatsen; regelen; timmerend in elkaar zetten; uitbouwen
crecer expanderen; openen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; dik worden; gedijen; groeien; groot worden; groter worden; hoger worden; ijlen; jachten; jagen; jakkeren; lengen; omhooggaan; opgroeien; opschieten; opzetten; opzwellen; reppen; snellen; spoeden; stijgen; toenemen; uitdijen; uitgroeien; vermeerderen; vliegen; volgroeien; volwassen worden; zich haasten; zich spoeden
desatornillar ontsluiten; opendraaien; openen afschroeven; losdraaien; losschroeven; openschroeven; prenten
descubrir openen; openstellen; toegankelijk maken; vrijgeven achter komen; achterhalen; bemerken; bloot leggen; blootleggen; bouwklaar maken; doorvorsen; fileren; naspeuring doen; ontbloten; ontginnen; onthullen; ontmaskeren; ontpoppen; opmerken; rechercheren; reveleren; snuffelen; speuren; te weten komen; uitvinden
desencerrar ontsluiten; opendraaien; openen
desenroscar ontsluiten; opendraaien; openen afschroeven; losdraaien; losschroeven; prenten
destapar ontsluiten; opendoen; openen; openmaken blootleggen; onthullen; ontmaskeren; ontstoppen; opentrekken
destornillar ontsluiten; opendraaien; openen afschroeven; losdraaien; losschroeven; openschroeven
dilatarse expanderen; openen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden uitdijen; uitzwellen
empezar inleiden; openen aanbinden; aanbreken; aangaan; aanknopen; aanvangen; beginnen; een begin nemen; intreden; inzetten; ondernemen; ontstaan; op gang komen; oprijzen; rijzen; starten; van start gaan; voortkomen
extender expanderen; openen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden afsteken; distribueren; eruit springen; gunnen; iets toekennen; in het oog lopen; opvallen; ronddelen; spreiden; talrijker maken; toebedelen; toekennen; toewijzen; uitbreiden; uitreiken; uitsmeren; uitspringen; uitsteken; verdelen; vergroten; vermeerderen
hacer accesible ontsluiten; opendoen; openen; openmaken
hacer ampliaciones expanderen; openen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden talrijker maken; uitbreiden; vergroten; vermeerderen
hacer público openen; openstellen; toegankelijk maken; vrijgeven afkondigen; aflezen; afroepen; bekend maken; bekendmaken; openbaar maken; oplezen
hincharse expanderen; openen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden bollen; dik worden; opbollen; opzwellen; uitdijen; uitzwellen; zwellen
inaugurar aankaarten; aanknopen; aansnijden; entameren; gesprek aanknopen; inleiden; openen; opwerpen; starten; te berde brengen; ter sprake brengen beginnen; heiligen; inaugureren; inhuldigen; inluiden; inwijden; inzegenen; plechtig bevestigen; starten; wijden; zegenen
iniciar inleiden; openen aanbinden; aanbreken; aangaan; aanknopen; aanvangen; aanwenden; arrangeren; beginnen; benutten; bezigen; een begin nemen; gang maken; gangmaken; gebruik maken van; gebruiken; hanteren; hard draven; iets op touw zetten; in werking stellen; initiëren; inwerken; inzet tonen; inzetten; ondernemen; op gang brengen; opstarten; prepareren; regelen; starten; toepassen; van start gaan; voorbereiden op
lanzar aankaarten; aanknopen; aansnijden; entameren; gesprek aanknopen; openen; opwerpen; starten; te berde brengen; ter sprake brengen afschieten; afsmijten; afvuren; afwerpen; afzien van rechtsvervolging; jonassen; kwakken; lanceren; laten zien; naar beneden werpen; naar voren brengen; neerkwakken; neerwerpen; omhooggooien; omlaag werpen; op de markt brengen; opgooien; opperen; opwerpen; poneren; schieten; schoten lossen; seponeren; smakken; smijten; stellen; suggereren; tevoorschijn brengen; tevoorschijn halen; uitgeven; uitgooien; uitwerpen; vuren
trabar conversación aankaarten; aanknopen; aansnijden; entameren; gesprek aanknopen; openen; opwerpen; starten; te berde brengen; ter sprake brengen

Wiktionary Translations for openen:

openen
verb
  1. laten beginnen, in bedrijf brengen
  2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  3. openstellen, toegankelijk maken
  4. (informatica) een bestand inladen
  5. zich ~

Cross Translation:
FromToVia
openen abrir open — to make something accessible
openen abrir open — to make accessible to customers
openen abrir; abrir con llave; desatrancar; desbloquear unlock — to undo or open a lock
openen abrir aufmachenöffnen
openen abrir öffnen — etwas aufmachen; offen machen

Related Translations for open