Dutch
Detailed Translations for raken from Dutch to Spanish
raken:
-
raken (betreffen; aangaan)
-
raken (beïnvloeden; treffen)
influenciar; afectar; influir en; conmover; tener suerte; adoptar; tener que ver con-
influenciar verb
-
afectar verb
-
influir en verb
-
conmover verb
-
tener suerte verb
-
adoptar verb
-
tener que ver con verb
-
-
raken (treffen; beroeren)
pegar; tomar; alcanzar; golpear; emocionar; dar golpes; encontrar; mover; adoptar; comer un peón; batir; azotar; revolver; conmover; tener suerte-
pegar verb
-
tomar verb
-
alcanzar verb
-
golpear verb
-
emocionar verb
-
dar golpes verb
-
encontrar verb
-
mover verb
-
adoptar verb
-
comer un peón verb
-
batir verb
-
azotar verb
-
revolver verb
-
conmover verb
-
tener suerte verb
-
-
raken (ontroeren; treffen)
– hem een klap, schot of stoot toebrengen 1 -
raken (terechtkomen; treffen)
Conjugations for raken:
o.t.t.
- raak
- raakt
- raakt
- raken
- raken
- raken
o.v.t.
- raakte
- raakte
- raakte
- raakten
- raakten
- raakten
v.t.t.
- heb geraakt
- hebt geraakt
- heeft geraakt
- hebben geraakt
- hebben geraakt
- hebben geraakt
v.v.t.
- had geraakt
- had geraakt
- had geraakt
- hadden geraakt
- hadden geraakt
- hadden geraakt
o.t.t.t.
- zal raken
- zult raken
- zal raken
- zullen raken
- zullen raken
- zullen raken
o.v.t.t.
- zou raken
- zou raken
- zou raken
- zouden raken
- zouden raken
- zouden raken
en verder
- ben geraakt
- bent geraakt
- is geraakt
- zijn geraakt
- zijn geraakt
- zijn geraakt
diversen
- raak!
- raakt!
- geraakt
- rakend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
-
raken (treffen)