Dutch
Detailed Translations for zijn from Dutch to Spanish
zijn:
-
zijn (zich bevinden; uithangen)
-
zijn (bestaan; leven; existeren)
-
zijn
Conjugations for zijn:
o.t.t.
- ben
- bent
- is
- zijn
- zijn
- zijn
o.v.t.
- was
- was
- was
- waren
- waren
- waren
v.t.t.
- ben geweest
- bent geweest
- is geweest
- zijn geweest
- zijn geweest
- zijn geweest
v.v.t.
- was geweest
- was geweest
- was geweest
- waren geweest
- waren geweest
- waren geweest
o.t.t.t.
- zal zijn
- zult zijn
- zal zijn
- zullen zijn
- zullen zijn
- zullen zijn
o.v.t.t.
- zou zijn
- zou zijn
- zou zijn
- zouden zijn
- zouden zijn
- zouden zijn
diversen
- wees!
- zijt!
- geweest
- zijnd
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
-
zijn (existentie; leven; bestaan)
la existencia
Translation Matrix for zijn:
| Noun | Related Translations | Other Translations |
| existencia | bestaan; existentie; leven; zijn | kasvoorraad |
| ser | creatuur; schepsel | |
| Verb | Related Translations | Other Translations |
| encontrarse | uithangen; zich bevinden; zijn | aantreffen; afspreken; bij elkaar komen; bijeen komen; elkaar ontmoeten; elkaar zien; ergens verkeren; gelegen zijn; liggen; ontdekken; ontmoeten; samenkomen; tegenkomen; treffen; verkeren; verzamelen; vinden |
| estar | uithangen; zich bevinden; zijn | aanwezig zijn; er zijn; erbij zijn; ergens zijn; gelegen zijn; liggen; tegenwoordig zijn; zich ophouden |
| existir | bestaan; existeren; leven; zijn | |
| hallarse | uithangen; zich bevinden; zijn | ergens verkeren; gevestigd zijn; gezeten zijn; resideren; verkeren; zetelen |
| ser | bestaan; existeren; leven; zijn | |
| vivir | bestaan; existeren; leven; zijn | doormaken; leven; logeren; resideren; verblijven; wonen |
| - | wezen | |
| Other | Related Translations | Other Translations |
| su | Uwe; men; uw; zijne | |
| Modifier | Related Translations | Other Translations |
| su | zijn | haar; hen; hun; uw |