Dutch
Detailed Synonyms for opdoeken in Dutch
opdoeken:
-
opdoeken
Conjugations for opdoeken:
o.t.t.
- doek op
- doekt op
- doekt op
- doeken op
- doeken op
- doeken op
o.v.t.
- doekte op
- doekte op
- doekte op
- doekten op
- doekten op
- doekten op
v.t.t.
- heb opgedoekt
- hebt opgedoekt
- heeft opgedoekt
- hebben opgedoekt
- hebben opgedoekt
- hebben opgedoekt
v.v.t.
- had opgedoekt
- had opgedoekt
- had opgedoekt
- hadden opgedoekt
- hadden opgedoekt
- hadden opgedoekt
o.t.t.t.
- zal opdoeken
- zult opdoeken
- zal opdoeken
- zullen opdoeken
- zullen opdoeken
- zullen opdoeken
o.v.t.t.
- zou opdoeken
- zou opdoeken
- zou opdoeken
- zouden opdoeken
- zouden opdoeken
- zouden opdoeken
diversen
- doek op!
- doekt op!
- opgedoekt
- opdoekend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
Translation Matrix for opdoeken:
| Noun | Related Translations | Other Translations |
| opheffen | beëindigen; herroepen; intrekken; opheffen; opheffing; terugnemen | |
| Verb | Related Translations | Other Translations |
| opdoeken | opdoeken; opheffen | |
| opheffen | opdoeken; opheffen | afbreken; besluiten; beëindigen; forceren; heffen; hijsen; lichten; nullificeren; omhoog brengen; omhoog heffen; omhoogheffen; ondervangen; ontbinden; opheffen; optillen; stukmaken; teniet doen; terugdraaien; tillen; uiteen doen gaan; verbreken; verbrijzelen; verijdelen; vernietigen |