Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. bouwrijp maken:


Dutch

Detailed Translations for bouwrijp maken from Dutch to Swedish

bouwrijp maken:

bouwrijp maken verb (maak bouwrijp, maakt bouwrijp, maakte bouwrijp, maakten bouwrijp, bouwrijp gemaakt)

  1. bouwrijp maken
    utveckla; framkalla

Conjugations for bouwrijp maken:

o.t.t.
  1. maak bouwrijp
  2. maakt bouwrijp
  3. maakt bouwrijp
  4. maken bouwrijp
  5. maken bouwrijp
  6. maken bouwrijp
o.v.t.
  1. maakte bouwrijp
  2. maakte bouwrijp
  3. maakte bouwrijp
  4. maakten bouwrijp
  5. maakten bouwrijp
  6. maakten bouwrijp
v.t.t.
  1. heb bouwrijp gemaakt
  2. hebt bouwrijp gemaakt
  3. heeft bouwrijp gemaakt
  4. hebben bouwrijp gemaakt
  5. hebben bouwrijp gemaakt
  6. hebben bouwrijp gemaakt
v.v.t.
  1. had bouwrijp gemaakt
  2. had bouwrijp gemaakt
  3. had bouwrijp gemaakt
  4. hadden bouwrijp gemaakt
  5. hadden bouwrijp gemaakt
  6. hadden bouwrijp gemaakt
o.t.t.t.
  1. zal bouwrijp maken
  2. zult bouwrijp maken
  3. zal bouwrijp maken
  4. zullen bouwrijp maken
  5. zullen bouwrijp maken
  6. zullen bouwrijp maken
o.v.t.t.
  1. zou bouwrijp maken
  2. zou bouwrijp maken
  3. zou bouwrijp maken
  4. zouden bouwrijp maken
  5. zouden bouwrijp maken
  6. zouden bouwrijp maken
en verder
  1. is bouwrijp gemaakt
  2. zijn bouwrijp gemaakt
diversen
  1. maak bouwrijp!
  2. maakt bouwrijp!
  3. bouwrijp gemaakt
  4. bouwrijp makend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for bouwrijp maken:

VerbRelated TranslationsOther Translations
framkalla bouwrijp maken tot stand brengen; voor elkaar krijgen
utveckla bouwrijp maken evolueren; ontginnen; ontplooien; ontwikkelen; openklappen; tot ontwikkeling brengen; uiteenvouwen; volgroeien; volwassen worden; voor landbouw klaar maken

Related Translations for bouwrijp maken