Summary
Dutch
Detailed Translations for leven from Dutch to Swedish
leven:
-
leven (wonen; verblijven; resideren; logeren)
-
leven (bestaan; zijn; existeren)
-
leven (te werk gaan; werken; opereren; manipuleren; procederen; optreden; handelen)
Conjugations for leven:
o.t.t.
- leef
- leeft
- leeft
- leven
- leven
- leven
o.v.t.
- leefde
- leefde
- leefde
- leefden
- leefden
- leefden
v.t.t.
- heb geleefd
- hebt geleefd
- heeft geleefd
- hebben geleefd
- hebben geleefd
- hebben geleefd
v.v.t.
- had geleefd
- had geleefd
- had geleefd
- hadden geleefd
- hadden geleefd
- hadden geleefd
o.t.t.t.
- zal leven
- zult leven
- zal leven
- zullen leven
- zullen leven
- zullen leven
o.v.t.t.
- zou leven
- zou leven
- zou leven
- zouden leven
- zouden leven
- zouden leven
en verder
- ben geleefd
- bent geleefd
- is geleefd
- zijn geleefd
- zijn geleefd
- zijn geleefd
diversen
- leef!
- leeft!
- geleefd
- levend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
-
het leven (existentie; zijn; bestaan)
-
het leven (tumult; pandemonium; opschudding; heksenketel; beroering; drukte; lawaai; rumoer; geraas; heibel)
-
het leven (lawaai; kabaal; rumoer; spektakel; herrie)