Dutch
Detailed Translations for week from Dutch to Swedish
week:
Translation Matrix for week:
| Noun | Related Translations | Other Translations |
| vecka | week | |
| Verb | Related Translations | Other Translations |
| vecka | opvouwen; rimpelen; vouwen | |
| Modifier | Related Translations | Other Translations |
| svag | week; zwak | beetje; bleek; bleek van gelaatskleur; flauw; flets; kleurloos; krachteloos; lichtelijk; niet helder; onduidelijk; schemerig; schimmig; slap; vaag; verschoten; wit; zwak |
| svagt | week; zwak | bleek; bleek van gelaatskleur; bleekjes; flauw; flets; kleurloos; krachteloos; niet helder; onduidelijk; pips; schemerig; schimmig; slap; slapjes; vaag; verschoten; wee; wit; ziekelijk; zwak |
| vekt | week; zwak | bleekjes; delicaat; fijn van smaak; pips; slap; slapjes; wee; ziekelijk; zwak |
Related Words for "week":
Related Definitions for "week":
wijken:
-
wijken
Conjugations for wijken:
o.t.t.
- wijk
- wijkt
- wijkt
- wijken
- wijken
- wijken
o.v.t.
- week
- week
- week
- weken
- weken
- weken
v.t.t.
- ben geweken
- bent geweken
- is geweken
- zijn geweken
- zijn geweken
- zijn geweken
v.v.t.
- was geweken
- was geweken
- was geweken
- waren geweken
- waren geweken
- waren geweken
o.t.t.t.
- zal wijken
- zult wijken
- zal wijken
- zullen wijken
- zullen wijken
- zullen wijken
o.v.t.t.
- zou wijken
- zou wijken
- zou wijken
- zouden wijken
- zouden wijken
- zouden wijken
diversen
- wijk!
- wijkt!
- geweken
- wijkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
Translation Matrix for wijken:
| Verb | Related Translations | Other Translations |
| bana väg för | wijken | |
| vika | wijken | omknikken; opvouwen; samenvouwen; vouwen |
| vika undan | wijken |
Related Words for "wijken":
week form of weken:
-
het weken (inweken)
lägga i blöt-
lägga i blöt noun
-
-
weken (week maken; ontharden; verweken; zachtmaken; in de week zetten)
– in water zetten om week te laten worden of om vuil los te maken 1
Conjugations for weken:
o.t.t.
- week
- weekt
- weekt
- weken
- weken
- weken
o.v.t.
- weekte
- weekte
- weekte
- weekten
- weekten
- weekten
v.t.t.
- heb geweekt
- hebt geweekt
- heeft geweekt
- hebben geweekt
- hebben geweekt
- hebben geweekt
v.v.t.
- had geweekt
- had geweekt
- had geweekt
- hadden geweekt
- hadden geweekt
- hadden geweekt
o.t.t.t.
- zal weken
- zult weken
- zal weken
- zullen weken
- zullen weken
- zullen weken
o.v.t.t.
- zou weken
- zou weken
- zou weken
- zouden weken
- zouden weken
- zouden weken
diversen
- week!
- weekt!
- geweekt
- wekend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
Translation Matrix for weken:
| Noun | Related Translations | Other Translations |
| lägga i blöt | inweken; weken | |
| Verb | Related Translations | Other Translations |
| blöta igenom | in de week zetten; ontharden; verweken; week maken; weken; zachtmaken | doorweken; inweken |
| lägga i blöt | doorweken | |
| låta blöta igenom | in de week zetten; ontharden; verweken; week maken; weken; zachtmaken |