Dutch

Detailed Translations for schoot from Dutch to German

schoot:

schoot [de ~ (m)] noun

  1. de schoot (moederschoot)
    der Mutterschoß
  2. de schoot (baarmoeder)
    die Gebärmutter; Mutterleib
  3. de schoot (verschuifbare sluiting; grendel; tong; schuif)
    der Riegel
  4. de schoot (plantestekje; spruit; scheut; jonge plant; stek)
    der Sprößling; der Schuß; der Trieb

schoot

  1. schoot (bovenbenen)

Translation Matrix for schoot:

NounRelated TranslationsOther Translations
Gebärmutter baarmoeder; schoot
Mutterleib baarmoeder; schoot
Mutterschoß moederschoot; schoot
Riegel grendel; schoot; schuif; tong; verschuifbare sluiting chocolade; chocoladereep; grendel; knip; pastille; plak; reep; reep chocolade; schuif; sluitinrichting voor deur of raam; staaf; tablet
Schoß bouwwerk; gebouw; huis; pand; perceel
Schuß jonge plant; plantestekje; scheut; schoot; spruit; stek bam; dreun; explosie; klap; knal; kwak; ontploffing; plof; scheutje; scheutjes; smak
Sprößling jonge plant; plantestekje; scheut; schoot; spruit; stek afstammeling; dreumes; hummel; jochie; klein jongetje; klein kind; kleintje; loot; nakomeling; peuter; scheut; spruit; stekje; telg; uk; worm; wurm
Trieb jonge plant; plantestekje; scheut; schoot; spruit; stek aandrift; drift; drijven van vee; genoegen; genot; instinct; jool; leut; loot; lust; plezier; pret; rank; ranken; scheut; seksuele begeerte; spruit; stekje; voortgedreven vee
OtherRelated TranslationsOther Translations
Schoß bovenbenen; schoot

Related Words for "schoot":


Wiktionary Translations for schoot:

schoot
noun
  1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
  2. baarmoeder
  3. een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
  4. het onderdeel van een deurslot dat uit de deur schuift en in de sluitplaat op de deurpost valt
schoot
noun
  1. die beim Sitzen durch Unterleib und Oberschenkel gebildete Körperpartie
  2. Seewesen: Tau zum steuern und spannen der Segel

Cross Translation:
FromToVia
schoot Schoß lap — the upper legs of a seated person
schoot Schot sheet — rope to adjust sail
schoot Busen; Schoß sein — Traductions à trier suivant le sens

schieten:

schieten verb (schiet, schoot, schoten, geschoten)

  1. schieten (schoten lossen; vuren; afvuren; afschieten)
    schießen; knallen; feuern; lösen
    • schießen verb (schieße, schiessest, schießt, schoß, schoßt, geschossen)
    • knallen verb (knalle, knallst, knallt, knallte, knalltet, geknalltt)
    • feuern verb (feure, feuerst, feuert, feuerte, feuertet, gefeuert)
    • lösen verb (löse, löst, lösest, löste, löstet, gelöst)

Conjugations for schieten:

o.t.t.
  1. schiet
  2. schiet
  3. schiet
  4. schieten
  5. schieten
  6. schieten
o.v.t.
  1. schoot
  2. schoot
  3. schoot
  4. schoten
  5. schoten
  6. schoten
v.t.t.
  1. heb geschoten
  2. hebt geschoten
  3. heeft geschoten
  4. hebben geschoten
  5. hebben geschoten
  6. hebben geschoten
v.v.t.
  1. had geschoten
  2. had geschoten
  3. had geschoten
  4. hadden geschoten
  5. hadden geschoten
  6. hadden geschoten
o.t.t.t.
  1. zal schieten
  2. zult schieten
  3. zal schieten
  4. zullen schieten
  5. zullen schieten
  6. zullen schieten
o.v.t.t.
  1. zou schieten
  2. zou schieten
  3. zou schieten
  4. zouden schieten
  5. zouden schieten
  6. zouden schieten
en verder
  1. ben geschoten
  2. bent geschoten
  3. is geschoten
  4. zijn geschoten
  5. zijn geschoten
  6. zijn geschoten
diversen
  1. schiet!
  2. schiett!
  3. geschoten
  4. schietend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

schieten [znw.] noun

  1. schieten (vuren)
    Schießen; Abfeuern

Translation Matrix for schieten:

NounRelated TranslationsOther Translations
Abfeuern schieten; vuren afschieten; afvuren; schoten lossen
Schießen schieten; vuren
VerbRelated TranslationsOther Translations
feuern afschieten; afvuren; schieten; schoten lossen; vuren aanmaken; blakeren; branden; eten opwarmen; licht aansteken; ontheffen; ontslaan; ontsteken; opwarmen; uitsturen; verhitten; verschroeien; verwarmen; verzenden; verzengen; warm maken; wegsturen; wegzenden; zengen
knallen afschieten; afvuren; schieten; schoten lossen; vuren donderen; knallen; onweren
lösen afschieten; afvuren; schieten; schoten lossen; vuren afbreken; beëindigen; desintegreren; detacheren; forceren; in een vloeistof opgaan; loshaken; loskrijgen; losmaken; lostornen; loswerken; ontbinden; ontknopen; ontraadselen; ontrafelen; ontwarren; opheffen; oplossen; scheiden; stukmaken; te niet doen; tornen; uit de war halen; uit elkaar halen; uit elkaar vallen; uiteenvallen; uithalen; uittrekken; verbreken; verbrijzelen
schießen afschieten; afvuren; schieten; schoten lossen; vuren bleek worden; wit wegtrekken

Related Definitions for "schieten":

  1. hard trappen1
    • hij schoot de bal in doel1
  2. het loslaten1
    • hij liet het touw schieten en de boot voer weg1
  3. kogels afvuren1
    • de soldaat schoot op de vijand1
  4. snel en plotseling bewegen1
    • hij schoot naar voren1

Wiktionary Translations for schieten:

schieten
verb
  1. een projectiel afvuren met een wapen

Cross Translation:
FromToVia
schieten schießen; feuern fire — intransitive: to shoot
schieten schießen fire — sport: to shoot, to attempt to score a goal
schieten schießen shoot — to fire a shot
schieten schießen shoot — to fire multiple shots
schieten anschießen; erschießen shoot — to hit with a shot
schieten ziehen; verziehen tirermouvoir vers soi, amener vers soi ou après soi.