Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. uitsparing:


Dutch

Detailed Translations for uitsparing from Dutch to German

uitsparing:

uitsparing [de ~ (v)] noun

  1. de uitsparing (inkeping; kloof; reet; )
    der Einschnitt; die Spalte; der Riß; die Kerbe
  2. de uitsparing (tussenruimte; kloof; spleet; opening)
    die Aussparung; die Spalte; die Kluft; der Zwischenraum

Translation Matrix for uitsparing:

NounRelated TranslationsOther Translations
Aussparung kloof; opening; spleet; tussenruimte; uitsparing bezuiniging; kostenverlaging
Einschnitt barst; gat; groef; inkeping; kloof; opening; reet; scheur; split; uitsparing brandgang; haal; inkeping; inkerving; insnijding; jaap; keep; kerf; kras; pennekras; scheiding; segregatie; snede; snee; snijwond; sponning; verbreking; vore
Kerbe barst; gat; groef; inkeping; kloof; opening; reet; scheur; split; uitsparing inkeping; inkerving; insnijding; jaap; keep; kerf; kerfsnede; snede; snee
Kluft kloof; opening; spleet; tussenruimte; uitsparing kloffie
Riß barst; gat; groef; inkeping; kloof; opening; reet; scheur; split; uitsparing barst; breuk; krak; scheur; torn
Spalte barst; gat; groef; inkeping; kloof; opening; reet; scheur; spleet; split; tussenruimte; uitsparing bergkloof; bergspleet; geluidsniveau; holte; kloof; kolom; kolom tekst op een pagina; muurnis; nis; paginagedeelte; rotskloof; scheur; spouw; torn; uitholling; volume
Zwischenraum kloof; opening; spleet; tussenruimte; uitsparing interim; spatie; tussenpoos; tussentijd
Not SpecifiedRelated TranslationsOther Translations
Spalte kolom