Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. ontheffen:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for ontheven from Dutch to English

ontheven form of ontheffen:

ontheffen verb (onthef, ontheft, onthief, onthieven, ontheven)

  1. ontheffen (wegsturen; ontslaan; verzenden; wegzenden; uitsturen)
    to discharge; to fire; to dismiss; to release; to sack; to drop
    • discharge verb (discharges, discharged, discharging)
    • fire verb (fires, fired, firing)
    • dismiss verb (dismisss, dismissed, dismissing)
    • release verb (releases, released, releasing)
    • sack verb (sacks, sacked, sacking)
    • drop verb (drops, dropped, dropping)
    to lay off
    – dismiss, usually for economic reasons 1
    • lay off verb (lays off, laid off, laying off)
  2. ontheffen (ontslaan van een verplichting; ontlasten; vrijstellen)

Conjugations for ontheffen:

o.t.t.
  1. onthef
  2. ontheft
  3. ontheft
  4. ontheven
  5. ontheven
  6. ontheven
o.v.t.
  1. onthief
  2. onthief
  3. onthief
  4. onthieven
  5. onthieven
  6. onthieven
v.t.t.
  1. ben ontheven
  2. bent ontheven
  3. is ontheven
  4. zijn ontheven
  5. zijn ontheven
  6. zijn ontheven
v.v.t.
  1. was ontheven
  2. was ontheven
  3. was ontheven
  4. waren ontheven
  5. waren ontheven
  6. waren ontheven
o.t.t.t.
  1. zal ontheffen
  2. zult ontheffen
  3. zal ontheffen
  4. zullen ontheffen
  5. zullen ontheffen
  6. zullen ontheffen
o.v.t.t.
  1. zou ontheffen
  2. zou ontheffen
  3. zou ontheffen
  4. zouden ontheffen
  5. zouden ontheffen
  6. zouden ontheffen
en verder
  1. heb ontheven
  2. hebt ontheven
  3. heeft ontheven
  4. hebben ontheven
  5. hebben ontheven
  6. hebben ontheven
diversen
  1. onthef!
  2. ontheft!
  3. ontheven
  4. ontheffend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for ontheffen:

NounRelated TranslationsOther Translations
discharge afdanken; afschaffen; afvoer; afwatering; decharge; emissie; kwijting; loslating; lossing; lozing; ontlading; ontslaan; ontslaan van werknemers; ontslag; plotselinge uitbarsting; uit de dienst ontslaan; uitlading; uitstoot; vrijlating; waterafvoer
drop borrel; drop; dropping; druppel; neut; oorlam; staande receptie; valhoogte
fire brand; fik; gloed; haardvuur; hartstocht; hartstochtelijkheid; kachel; kacheltje; kleine kachel; overgave; passie; schieten; verwarming; vuren; vurigheid; vuur
release amnestie; bevrijding; invrijheidstelling; kwijtschelding; loslating; losraken; ontzetting; redding; uitlaat; uitlaatpijp; verlossing; versie; vlampijp; vrijlating; vrijmaking; zaligheid
VerbRelated TranslationsOther Translations
discharge ontheffen; ontslaan; uitsturen; verzenden; wegsturen; wegzenden aan de dijk zetten; afdanken; afladen; afscheiden; afvloeien; afvoeren; congé geven; dwingen ontslag te nemen; eruit gooien; iets uitladen; kwijten; lossen; lozen; ontladen; pasporteren; uitscheiden; uitstoten; uitwerpen; van zijn positie verdrijven
dismiss ontheffen; ontslaan; uitsturen; verzenden; wegsturen; wegzenden aan de dijk zetten; afdanken; afvloeien; afzien van rechtsvervolging; congé geven; dwingen ontslag te nemen; eruit gooien; seponeren; van zich afzetten; van zijn positie verdrijven; verwijderen
drop ontheffen; ontslaan; uitsturen; verzenden; wegsturen; wegzenden afdruipen; afsmijten; afwerpen; afzetten; afzien van rechtsvervolging; droppen; druipen; druppelen; druppels laten vallen; druppen; flikkeren; inkrimpen; kelderen; kiepen; kieperen; krimpen; laten uitstappen; lazeren; omlaagstorten; seponeren; sijpelen; slinken; tuimelen; uitdruppelen; vallen; verwijderen; weglaten; zakken
fire ontheffen; ontslaan; uitsturen; verzenden; wegsturen; wegzenden aan de dijk zetten; aanmoedigen; aanvuren; afbranden; afdanken; afschieten; afvloeien; afvuren; bezielen; congé geven; eruit gooien; leegbranden; platbranden; schieten; schoten lossen; toejuichen; uitbranden; van zijn positie verdrijven; vuren
lay off ontheffen; ontslaan; uitsturen; verzenden; wegsturen; wegzenden aan de dijk zetten; afdanken; afhouden; afkeren; afvloeien; afwenden; congé geven; eruit gooien; terughouden; van zijn positie verdrijven
release ontheffen; ontslaan; uitsturen; verzenden; wegsturen; wegzenden afhelpen; amnestie verlenen; bevrijden; bevrijden van; bevrijden van belegeraars; detacheren; in vrijheid stellen; invrijheidstellen; lanceren; laten gaan; laten opstijgen; loskomen; loskrijgen; loslaten; losmaken; loswerken; ontsnappen; ontzetten; op de markt brengen; openen; openstellen; oplaten; scheiden; toegankelijk maken; uitgeven; van de boeien ontdoen; van last bevrijden; verlossen; vrijgeven; vrijkomen; vrijlaten; zich bevrijden
relieve someone of an obligation ontheffen; ontlasten; ontslaan van een verplichting; vrijstellen
sack ontheffen; ontslaan; uitsturen; verzenden; wegsturen; wegzenden aan de dijk zetten; afdanken; afvloeien; congé geven; eruit gooien; van zijn positie verdrijven

Wiktionary Translations for ontheffen:

ontheffen
verb
  1. To free from an obligation, responsibility or task
  2. set free


Wiktionary Translations for ontheven:

ontheven
verb
  1. to remove from suspicion