Dutch

Detailed Translations for kloppend from Dutch to Spanish

kloppend:


kloppen:

Conjugations for kloppen:

o.t.t.
  1. klop
  2. klopt
  3. klopt
  4. kloppen
  5. kloppen
  6. kloppen
o.v.t.
  1. klopte
  2. klopte
  3. klopte
  4. klopten
  5. klopten
  6. klopten
v.t.t.
  1. heb geklopt
  2. hebt geklopt
  3. heeft geklopt
  4. hebben geklopt
  5. hebben geklopt
  6. hebben geklopt
v.v.t.
  1. had geklopt
  2. had geklopt
  3. had geklopt
  4. hadden geklopt
  5. hadden geklopt
  6. hadden geklopt
o.t.t.t.
  1. zal kloppen
  2. zult kloppen
  3. zal kloppen
  4. zullen kloppen
  5. zullen kloppen
  6. zullen kloppen
o.v.t.t.
  1. zou kloppen
  2. zou kloppen
  3. zou kloppen
  4. zouden kloppen
  5. zouden kloppen
  6. zouden kloppen
en verder
  1. ben geklopt
  2. bent geklopt
  3. is geklopt
  4. zijn geklopt
  5. zijn geklopt
  6. zijn geklopt
diversen
  1. klop!
  2. klopt!
  3. geklopt
  4. kloppend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

kloppen [het ~] noun

  1. het kloppen
    el latido; la llamada; la palpitación

Translation Matrix for kloppen:

NounRelated TranslationsOther Translations
cerrar dichtdoen; dichtdraaien
concordar accorderen; overeenstemmen
corresponder accorderen; overeenstemmen
golpear bekloppen
latido kloppen gebeuk; gebonk; gebons; heartbeat
llamada kloppen appèl; bellen; belletje; faam; geroep; geschreeuw; gesprek door de telefoon; lokfluitje; lokroep; loktoon; naam; opbellen; oproep; reputatie; roep; roepstem; telefonisch bericht; telefoongesprek; telefoontje; verwijsbrief; verwijzing; zoeken
palpitación kloppen hartklopping; klopping
temblar beven
VerbRelated TranslationsOther Translations
ajustar correct zijn; kloppen aanpassen; afstellen; afstemmen; betamen; bijstellen; conveniëren; deugen; ervan uitgaan; fijn bewerken; geschikt zijn; herstellen; in orde brengen; in orde maken; innaaien; overeenbrengen; passen; passend zijn; regelen; repareren; strak maken; uitkomen; uitlijnen; uitrekken; vernieuwen
celebrar correct zijn; kloppen afsluiten; celebreren; dichtdoen; feesten; feestvieren; naar einde toewerken; sluiten; toedoen; toemaken; vieren
cerrar correct zijn; kloppen aantrekken; afbakenen; afgrendelen; afpalen; afschotten; afschutten; afsluiten; afzetten; afzien van rechtsvervolging; begrenzen; beknotten; beperken; borgen; dicht maken; dichtbinden; dichtdoen; dichtdraaien; dichten; dichtgaan; dichtgooien; dichtmaken; dichtslaan; dichtstoppen; dichttrekken; dichtvallen; dichtwerpen; grendelen; locken; omlijnen; op slot doen; op slot zetten; schutten; seponeren; sluiten; stoppen; toebinden; toedoen; toedraaien; toemaken; toetrekken; toevallen; uitdoen; uitdraaien; vergrendelen; zich sluiten
cerrar con llave correct zijn; kloppen afgrendelen; afsluiten; borgen; dichtdoen; dichtgaan; dichtmaken; dichtvallen; grendelen; locken; op slot doen; op slot zetten; sluiten; toedoen; toemaken; toetrekken; toevallen; vergrendelen; zich sluiten
coincidir congruent zijn; correct zijn; kloppen; overeenstemmen kloppen met; overeenkomen; overeenkomen met; overeenstemmen met; samenlopen; samenvallen; stroken; stroken met
coincidir con juist zijn; kloppen; overeenstemmen kloppen met; overeenkomen; overeenkomen met; overeenstemmen met; stroken; stroken met
cojear correct zijn; kloppen hinkelen; hinken; klepperen; kreupel lopen; mank lopen; mankgaan
concordar juist zijn; kloppen; overeenstemmen een harmonieus geheel vormen; eens worden; harmoniëren; kloppen met; overeenkomen; overeenkomen met; overeenstemmen; overeenstemmen met; rijmen; samenstemmen; stroken; stroken met
convenir con juist zijn; kloppen; overeenstemmen
corresponder congruent zijn; kloppen; overeenstemmen betamen; een harmonieus geheel vormen; harmoniëren; overeenstemmen; passen; samenstemmen; ten deel vallen; toekomen; toevallen
corresponder con juist zijn; kloppen; overeenstemmen
dar golpecitos en una puerta o ventana aankloppen; aantikken; kloppen; tikken
dar golpes aankloppen; aantikken; kloppen; tikken beroeren; beuken; bomen kappen; een klap geven; hakken; houwen; iemand raken; iemand treffen; kappen; omhakken; raken; rammen; slaan; treffen; vellen
golpear aankloppen; aantikken; kloppen; tikken beroeren; beuken; bonken; bonzen; een klap geven; hameren; hard slaan; heien; hengsten; iemand raken; iemand treffen; ineenslaan; inkloppen; klepperen; kletteren; luiden; meppen; raken; rammelen; rammen; slaan; tegen elkaar slaan; timmeren; treffen
palpitar kloppen; lillen; trillen
ser justo correct zijn; juist zijn; kloppen; overeenstemmen
temblar kloppen; lillen; trillen beven; bibberen; doortrillen; heen en weer bewegen; rillen; schudden; trillen; vibreren
venir bien correct zijn; kloppen betamen; passen
vibrar kloppen; lillen; trillen trillen; vibreren
- winnen

Related Words for "kloppen":


Synonyms for "kloppen":


Antonyms for "kloppen":


Related Definitions for "kloppen":

  1. een bonzend of tikkend geluid maken1
    • er klopt iemand op de deur1
  2. juist zijn1
    • de rekening klopt1
  3. de beste zijn, de meeste punten halen1
    • in de laatste wedstrijd werden we geklopt1

Wiktionary Translations for kloppen:

kloppen
verb
  1. tegen iets slaan
  2. hoorbaar bewegen
  3. in overeenstemming zijn
  4. in toestand brengen
  5. verslaan

Cross Translation:
FromToVia
kloppen golpear; pegar; aporrear; batir beat — to hit, to knock, to pound, to strike
kloppen latir; golpear; percutir beat — to strike or pound repeatedly
kloppen ser lógico; tener sentido; encajar; cuadrar make sense — be coherent
kloppen palpitar throb — To pound or beat rapidly or violently
kloppen aporrear klopfen — Periodische Bewegung, die ein rhythmisches Geräusch entfaltet.
kloppen latir pulsieren — dem Pulsschlag entsprechend oder in regelmäßigen Abständen anschwellen und abschwellen
kloppen ser cierto stimmenzutreffend sein, den Tatsachen entsprechen, keinen Anlass zu Beanstandungen geben
kloppen tener sentido; ser lógico avoir du sens — être cohérent
kloppen acuñar; barajar; golpetear; pegar; sacudir; trillar battrefrapper de coups répétés.
kloppen golpear; pegar frapper — A TRIER
kloppen chocar; golpear; pegar; percutir; desagradar; escandalizar; sorprender; batir heurterentrer brusquement en contact.