Dutch

Detailed Translations for flitsend from Dutch to French

flitsend:


Translation Matrix for flitsend:

NounRelated TranslationsOther Translations
alerte alarm; alert; hulpgeroep; hulpkreet; melding; noodkreet; noodsignaal; waarschuwing
rapide stroomversnelling; vluggerd
Not SpecifiedRelated TranslationsOther Translations
à la mode modieus
ModifierRelated TranslationsOther Translations
alerte flitsend; hip; modieus; snel; trendy; vlot ad rem; adrem; alert; bezet; bijdehand; blij; blijmoedig; dartel; druk; drukbezet; energiek; geagiteerd; geanimeerd; gevat; levendig; levenslustig; monter; opgetogen; opgewekt; oplettend; raak; slagvaardig; snedig; tierig; uitgeslapen; verhit; vief; vol fut; vrolijk; wakker
dernier cri flitsend; hip; modieus; snel; trendy; vlot courant; gangbaar; gebruikelijk; gewoon; heet van de naald; vers van de pers
impeccable flitsend; hip; snel; trendy; vlot brandhelder; brandschoon; briljant; correct; eersteklas; eersterangs; excellent; feilloos; foutloos; gaaf; gelikt; ideaal; keurig; kraakhelder; onaangetast; onberispelijk; onbesproken; onverbeterlijk; opperbest; patent; perfect; picobello; piekfijn; puik; puntgaaf; smetteloos; subliem; superbe; tiptop; top; tot de beste klasse behorend; uitgelezen; uitgezocht; uitmuntend; uitnemend; uitstekend; vlekkeloos; volmaakt; voortreffelijk; zuiver
mondain flitsend; hip; modieus; snel; trendy; vlot aards; courant; gangbaar; gebruikelijk; gewoon; mondain; profaan; seculair; wereldlijk; werelds; wereldwijs
preste flitsend; hip; modieus; snel; trendy; vlot rap; snel; vlot; vlug
prestement flitsend; hip; modieus; snel; trendy; vlot rap; snel; vlot; vlug
prompt flitsend; vlot aanstonds; abrupt; adrem; bij de pinken; bijdehand; clever; dadelijk; direct; eensklaps; gauw; gevat; goochem; haastig; ijlings; ineens; kien; ogenblikkelijk; onverhoeds; onverwacht; onverwachts; onverwijld; onvoorzien; opeens; plots; plotseling; plotsklaps; raak; rap; schrander; slim; snedig; snel; terstond; uitgeslapen; vlot; vlug; zo meteen
rapide flitsend; vlot gauw; haastig; hardlopend; ijlings; onverhoeds; onverwacht; onverwachts; onvoorzien; rap; snel; snellopend; snelwerkend; vingervlug; vlot; vluchtelings; vlug
rapidement flitsend; vlot aanstonds; direct; haastig; kortstondig; onverhoeds; onverwacht; onverwachts; onvoorzien; rap; snel; terloops; terstond; vlot; vluchtelings; vluchtig; vlug
super flitsend; hip; snel; trendy; vlot briljant; excellent; gigantisch; immens; kolossaal; patent; perfect; puik; reusachtig; reuzeleuk; subliem; superbe; uitgelezen; uitgezocht; uitmuntend; uitnemend; uitstekend; volmaakt; voortreffelijk; zeer groot
vif flitsend; hip; modieus; snel; trendy; vlot actief; ad rem; adrem; alert; beweeglijk; bezet; bijdehand; bitter; bitter van smaak; blij; blijmoedig; dapper; dartel; druk; drukbezet; dynamisch; energiek; erg; fel; ferm; flink; geagiteerd; gevat; hanig; heftig; hel; hevig; intens; intensief; kien; kittig; krachtig; levendig; levenskrachtig; levenslustig; moedig; monter; moreel sterk; onbeheerst; ongeblust; onstuimig; opgetogen; opgewekt; oplettend; pienter; pinnig; raak; rap; scherp; scherpzinnig; slagvaardig; slim; snedig; snel; snibbig; spits; spitsvondig; tierig; uitgekiend; uitgekookt; uitgeslapen; verhit; verwoed; vinnig; vitaal; vlijmend; vlot; vlug; vrolijk; wakker
vive flitsend; hip; snel; trendy; vlot actief; ad rem; adrem; beweeglijk; bezet; bijdehand; blij; blijmoedig; dartel; druk; drukbezet; dynamisch; energiek; fel; gevat; heftig; hevig; intens; levendig; levenslustig; monter; opgetogen; opgewekt; raak; slagvaardig; snedig; tierig; verwoed; vrolijk; wakker
à la mode flitsend; hip; modieus; snel; trendy; vlot courant; gangbaar; gebruikelijk; gewoon; in de mode; modebewust; modegevoelig; mondain; werelds

flitsend form of flitsen:

flitsen verb (flits, flitst, flitste, flitsten, geflits)

  1. flitsen (oplichten; lichten)
    briller; foudroyer; fulgurer; donner des éclairs; faire des éclairs; provoquer un éclat de lumière; jaillir; décharger
    • briller verb (brille, brilles, brillons, brillez, )
    • foudroyer verb (foudroie, foudroies, foudroyons, foudroyez, )
    • fulgurer verb (fulgure, fulgures, fulgurons, fulgurez, )
    • jaillir verb (jaillis, jaillit, jaillissons, jaillissez, )
    • décharger verb (décharge, décharges, déchargons, déchargez, )

Conjugations for flitsen:

o.t.t.
  1. flits
  2. flitst
  3. flitst
  4. flitsen
  5. flitsen
  6. flitsen
o.v.t.
  1. flitste
  2. flitste
  3. flitste
  4. flitsten
  5. flitsten
  6. flitsten
v.t.t.
  1. heb geflits
  2. hebt geflits
  3. heeft geflits
  4. hebben geflits
  5. hebben geflits
  6. hebben geflits
v.v.t.
  1. had geflits
  2. had geflits
  3. had geflits
  4. hadden geflits
  5. hadden geflits
  6. hadden geflits
o.t.t.t.
  1. zal flitsen
  2. zult flitsen
  3. zal flitsen
  4. zullen flitsen
  5. zullen flitsen
  6. zullen flitsen
o.v.t.t.
  1. zou flitsen
  2. zou flitsen
  3. zou flitsen
  4. zouden flitsen
  5. zouden flitsen
  6. zouden flitsen
en verder
  1. is geflits
  2. zijn geflits
diversen
  1. flits!
  2. flitst!
  3. geflits
  4. flitsend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for flitsen:

NounRelated TranslationsOther Translations
jaillir opwellen
VerbRelated TranslationsOther Translations
briller flitsen; lichten; oplichten blaken; blinken; excelleren; flikkeren; fonkelen; glanzen; glimmen; glinsteren; glitteren; iets uitstralen; licht geven; licht schijnen; licht uitzenden; onderscheiden; overtreffen; schijnen; schitteren; sprankelen; stralen; twinkelen; uitblinken; uitblinken boven; uitmunten; uitsteken
donner des éclairs flitsen; lichten; oplichten bliksemen; lichten; weerlichten
décharger flitsen; lichten; oplichten aan de dijk zetten; afdanken; afladen; afmaken; afreageren; afscheiden; afschieten; afslachten; afvloeien; afvoeren; afvuren; bliksemen; congé geven; dechargeren; doden; ecarteren; eruit gooien; iets uitladen; ledigen; leeggieten; leegmaken; leegstorten; lichten; lossen; lozen; luchten; moorden; neerhalen; neersabelen; neerschieten; om het leven brengen; ombrengen; onschuldig verklaren; ontheffen; ontladen; ontslaan; schieten; schieten op; schoten lossen; uitgieten; uitladen; uitscheiden; uitschenken; uitstoten; uitsturen; uitwerpen; van zijn positie verdrijven; vermoorden; verzenden; vrijpleiten; vrijspreken; vuren; weerlichten; wegsturen; wegzenden; zuiveren
faire des éclairs flitsen; lichten; oplichten
foudroyer flitsen; lichten; oplichten bliksemen; lichten; weerlichten
fulgurer flitsen; lichten; oplichten
jaillir flitsen; lichten; oplichten borrelen; in het hoofd opkomen; opwellen; spatten; spetteren; vlammen; vlammen uitslaan; wellen
provoquer un éclat de lumière flitsen; lichten; oplichten

Related Words for "flitsen":


Wiktionary Translations for flitsen:

flitsen
verb
  1. rare|fr Être allumé en trembloter.

Cross Translation:
FromToVia
flitsen faire un appel de phares blink — to flash headlights