Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. opwikkelen:


Dutch

Detailed Translations for opwikkelen from Dutch to Swedish

opwikkelen:

opwikkelen verb (wikkel op, wikkelt op, wikkelde op, wikkelden op, opgewikkeld)

  1. opwikkelen (opwinden; haspelen; op een haspel winden; opklossen)
    sluta; avsluta; avveckla; hetsa upp
    • sluta verb (slutar, slutade, slutat)
    • avsluta verb (avslutar, avslutade, avslutat)
    • avveckla verb (avvecklar, avvecklade, avvecklat)
    • hetsa upp verb (hetsar upp, hetsade upp, hetsat upp)

Conjugations for opwikkelen:

o.t.t.
  1. wikkel op
  2. wikkelt op
  3. wikkelt op
  4. wikkelen op
  5. wikkelen op
  6. wikkelen op
o.v.t.
  1. wikkelde op
  2. wikkelde op
  3. wikkelde op
  4. wikkelden op
  5. wikkelden op
  6. wikkelden op
v.t.t.
  1. heb opgewikkeld
  2. hebt opgewikkeld
  3. heeft opgewikkeld
  4. hebben opgewikkeld
  5. hebben opgewikkeld
  6. hebben opgewikkeld
v.v.t.
  1. had opgewikkeld
  2. had opgewikkeld
  3. had opgewikkeld
  4. hadden opgewikkeld
  5. hadden opgewikkeld
  6. hadden opgewikkeld
o.t.t.t.
  1. zal opwikkelen
  2. zult opwikkelen
  3. zal opwikkelen
  4. zullen opwikkelen
  5. zullen opwikkelen
  6. zullen opwikkelen
o.v.t.t.
  1. zou opwikkelen
  2. zou opwikkelen
  3. zou opwikkelen
  4. zouden opwikkelen
  5. zouden opwikkelen
  6. zouden opwikkelen
en verder
  1. is opgewikkeld
  2. zijn opgewikkeld
diversen
  1. wikkel op!
  2. wikkelt op!
  3. opgewikkeld
  4. opwikkelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for opwikkelen:

NounRelated TranslationsOther Translations
avsluta afkrijgen
avveckla afwikkelen; zaakafwikkeling
VerbRelated TranslationsOther Translations
avsluta haspelen; op een haspel winden; opklossen; opwikkelen; opwinden aankomen; afkrijgen; aflopen met; afmaken; afronden; afsluiten; afwerken; beëindigen; compleet maken; completeren; een einde maken aan; eindigen; fiksen; finishen; klaarkrijgen; klaarmaken; klaarspelen; laatste gedeelte afmaken; leegeten; naar einde toewerken; opeten; raken; ten einde zijn; terechtkomen; treffen; uithebben; uitkrijgen; vervolledigen; volbrengen; volledig maken; volmaken; voltooien; voor elkaar krijgen
avveckla haspelen; op een haspel winden; opklossen; opwikkelen; opwinden
hetsa upp haspelen; op een haspel winden; opklossen; opwikkelen; opwinden
sluta haspelen; op een haspel winden; opklossen; opwikkelen; opwinden aankomen; afhaken; afsluiten; afvallen; afzeggen; afzien van; belanden; eindigen; ermee uitscheiden; eruitstappen; finishen; geraken; naar einde toewerken; opgeven; ophouden; staken; stoppen; terechtkomen; uitscheiden; verzeilen