Dutch
Detailed Translations for ophalen from Dutch to Spanish
ophalen:
-
ophalen (afhalen en meenemen; oppikken)
-
ophalen (meenemen; afnemen; afhalen; wegnemen; weghalen)
recoger; traer; ir a buscar; retirar; separar-
recoger verb
-
traer verb
-
ir a buscar verb
-
retirar verb
-
separar verb
-
-
ophalen (omhooghalen)
-
ophalen
Conjugations for ophalen:
o.t.t.
- haal op
- haalt op
- haalt op
- halen op
- halen op
- halen op
o.v.t.
- haalde op
- haalde op
- haalde op
- haalden op
- haalden op
- haalden op
v.t.t.
- heb opgehaald
- hebt opgehaald
- heeft opgehaald
- hebben opgehaald
- hebben opgehaald
- hebben opgehaald
v.v.t.
- had opgehaald
- had opgehaald
- had opgehaald
- hadden opgehaald
- hadden opgehaald
- hadden opgehaald
o.t.t.t.
- zal ophalen
- zult ophalen
- zal ophalen
- zullen ophalen
- zullen ophalen
- zullen ophalen
o.v.t.t.
- zou ophalen
- zou ophalen
- zou ophalen
- zouden ophalen
- zouden ophalen
- zouden ophalen
en verder
- ben opgehaald
- bent opgehaald
- is opgehaald
- zijn opgehaald
- zijn opgehaald
- zijn opgehaald
diversen
- haal op!
- haalt op!
- opgehaald
- ophalend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze