Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. inzuigen:


Dutch

Detailed Translations for inzuigen from Dutch to German

inzuigen:

inzuigen verb (zuig in, zuigt in, zoog in, zogen in, ingezogen)

  1. inzuigen (naar binnen zuigen)
    aufsaugen; schnupfen
    • aufsaugen verb (sauge auf, saugst auf, saugt auf, saugte auf, saugtet auf, aufgesaugt)
    • schnupfen verb (schnupfe, schnupfst, schnupft, schnupfte, schnupftet, geschnupft)

Conjugations for inzuigen:

o.t.t.
  1. zuig in
  2. zuigt in
  3. zuigt in
  4. zuigen in
  5. zuigen in
  6. zuigen in
o.v.t.
  1. zoog in
  2. zoog in
  3. zoog in
  4. zogen in
  5. zogen in
  6. zogen in
v.t.t.
  1. heb ingezogen
  2. hebt ingezogen
  3. heeft ingezogen
  4. hebben ingezogen
  5. hebben ingezogen
  6. hebben ingezogen
v.v.t.
  1. had ingezogen
  2. had ingezogen
  3. had ingezogen
  4. hadden ingezogen
  5. hadden ingezogen
  6. hadden ingezogen
o.t.t.t.
  1. zal inzuigen
  2. zult inzuigen
  3. zal inzuigen
  4. zullen inzuigen
  5. zullen inzuigen
  6. zullen inzuigen
o.v.t.t.
  1. zou inzuigen
  2. zou inzuigen
  3. zou inzuigen
  4. zouden inzuigen
  5. zouden inzuigen
  6. zouden inzuigen
en verder
  1. is ingezogen
diversen
  1. zuig in!
  2. zuigt in!
  3. ingezogen
  4. inzuigend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for inzuigen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
aufsaugen inzuigen; naar binnen zuigen absorberen; incorporeren; inlijven; opnemen; opnemen in groter geheel; opslorpen; opslurpen
schnupfen inzuigen; naar binnen zuigen een loopneus hebben; een snuif nemen; iets ophalen; insnuiven; opsnuiven; snuiven