Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. vruchtbaarheid:
  2. vruchtbaar:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for vruchtbaarheid from Dutch to English

vruchtbaarheid:

vruchtbaarheid [de ~ (v)] noun

  1. de vruchtbaarheid
    the fertility; the fecundity

Translation Matrix for vruchtbaarheid:

NounRelated TranslationsOther Translations
fecundity vruchtbaarheid
fertility vruchtbaarheid kinderrijkdom

Related Words for "vruchtbaarheid":


Wiktionary Translations for vruchtbaarheid:

vruchtbaarheid
noun
  1. het vermogen vrucht te dragen
vruchtbaarheid
noun
  1. the condition, or the degree of being fertile
  2. rate of production of young by a female
  3. rate or capacity of offspring production
  4. ability to cause growth
  5. ability to produce offspring

Cross Translation:
FromToVia
vruchtbaarheid wealth; affluence; fortune; richness; luxury; fecundicity; fertility richesseopulence, abondance de biens.
vruchtbaarheid fertility rate taux de fécondité — nombre moyen d’enfant par femme

vruchtbaarheid form of vruchtbaar:


Translation Matrix for vruchtbaar:

AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
advantageous lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend bevorderlijk; dienstig; gunstig; positief; tot nut
lucrative lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend
profitable lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend
rewarding lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend
valuable lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend kostbaar; verdienstelijk; waardevol
AdverbRelated TranslationsOther Translations
to advantage lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend

Related Words for "vruchtbaar":


Wiktionary Translations for vruchtbaar:

vruchtbaar
adjective
  1. in staat vrucht af te werpen
  2. tot resultaat leidend
vruchtbaar
adjective
  1. productive, yielding benefits
  2. favorable to the growth
  3. (of land etc) capable of growing abundant crops
  4. Fertile, producing offspring or fruit in great abundance

Cross Translation:
FromToVia
vruchtbaar fruitful fruchtbarübertragen: mit Erfolg
vruchtbaar fertile; fruitful; productive fruitier — Qui porter des fruits ; qui concerne les fruits.
vruchtbaar fertile; fecund fécond — Qui produire, qui peut produire beaucoup par voie de génération, parlant des femmes, des animaux.

External Machine Translations: