Dutch

Detailed Translations for glinsterend from Dutch to French

glinsterend:


Translation Matrix for glinsterend:

ModifierRelated TranslationsOther Translations
avec éclat fonkelend; glinsterend; schitterend fantastisch; geweldig; grandioos; groots; magnifiek; schitterend; uitnemend; uitstekend; voortreffelijk
brillamment fonkelend; glinsterend; schitterend beter dan de rest; betoverend; briljante; luisterrijk; magnifiek; patent; perfect; prachtig; schitterend; uitblinkend; uitmuntend; uitstek; uitstekend; volmaakt; voortreffelijk
brillant fonkelend; glinsterend; schitterend beter dan de rest; betoverend; blinkend; briljant; briljante; clever; fantastisch; fenomenaal; geniaal; geweldig; glansrijk; glanzend; glimmend; glunderend; grandioos; groots; ingenieus; kien; knap; kundig; kunstig; licht gevend; lichtend; lichtgevend; luisterrijk; lumineus; magnifiek; pienter; prachtig; pralend; schijnend; schitterend; schrander; slim; snugger; uitblinkend; uitgeslapen; uitnemend; uitstekend; vaardig; vindingrijk; voortreffelijk
de toute beauté fonkelend; glinsterend; schitterend beeldschoon; wonderschoon
glorieusement fonkelend; glinsterend; schitterend betoverend; glorierijk; heilig; luisterrijk; magnifiek; prachtig; roemrijk; roemvol; schitterend; verheerlijkt; zalig
glorieux fonkelend; glinsterend; schitterend betoverend; fier; flink; glorierijk; glorieus; groots; heilig; luisterrijk; lustrijk; magnifiek; prachtig; prat; roemrijk; roemvol; schitterend; trots; verheerlijkt; zalig
luisant glinsterend; schitterend blinkend; glanzend; glimmend; glunderend; licht gevend; lichtend; schijnend
magnifique fonkelend; glinsterend; schitterend betoverend; briljant; fantastisch; fenomenaal; formidabel; geniaal; geweldig; glansrijk; goddelijk; grandioos; groots; heel mooi; heerlijk; hemels; imponerend; imposant; indrukwekkend; kostelijk; lekker; luisterrijk; lumineus; magistraal; magnifiek; meesterlijk; ontzagwekkend; overheerlijk; paradijselijk; prachtig; puik; reuzelekker; schitterend; smakelijk; uitgelezen; uitnemend; uitstekend; verrukkelijk; voortreffelijk; weids; zalig
magnifiquement fonkelend; glinsterend; schitterend
resplendissant fonkelend; glinsterend; schitterend beeldschoon; blinkend; fantastisch; geweldig; glimmend; grandioos; groots; magnifiek; riant; schitterend; uitnemend; uitstekend; voortreffelijk; wonderschoon
scintillant glinsterend; schitterend
splendide fonkelend; glinsterend; schitterend beeldschoon; betoverend; briljant; fantastisch; fenomenaal; geniaal; geweldig; glorierijk; grandioos; groots; heerlijk; hemels; kostelijk; lekker; luisterrijk; lumineus; lustrijk; magnifiek; overheerlijk; prachtig; reuzelekker; riant; schitterend; smakelijk; uitnemend; uitstekend; verrukkelijk; voortreffelijk; wonderschoon; zalig
splendidement fonkelend; glinsterend; schitterend briljant; fenomenaal; geniaal; glorierijk; luisterrijk; lumineus; lustrijk; magnifiek; prachtig; riant; schitterend
éblouissant fonkelend; glinsterend; schitterend beeldschoon; eindeloos; fantastisch; geweldig; glorierijk; grandioos; groots; luisterrijk; lustrijk; magnifiek; oneindig; oogverblindend; prachtig; schitterend; uitnemend; uitstekend; verblindend; voortreffelijk; wonderschoon; zonder einde
éclatant fonkelend; glinsterend; schitterend fantastisch; geweldig; glorierijk; grandioos; groots; luisterrijk; lustrijk; magnifiek; prachtig; riant; schitterend; uitnemend; uitstekend; voortreffelijk
étincelant fonkelend; glinsterend; schitterend beter dan de rest; briljante; glanzend; glunderend; uitblinkend

glinsterend form of glinsteren:

glinsteren verb (glinster, glinstert, glinsterde, glinsterden, geglinsterd)

  1. glinsteren (fonkelen; glimmen)
    briller; étinceler; scintiller
    • briller verb (brille, brilles, brillons, brillez, )
    • étinceler verb (étincelle, étincelles, étincelons, étincelez, )
    • scintiller verb (scintille, scintilles, scintillons, scintillez, )
  2. glinsteren (schitteren; fonkelen)
    briller; exceller; rayonner; étinceler; luire; scintiller; resplendir; reluire
    • briller verb (brille, brilles, brillons, brillez, )
    • exceller verb (excelle, excelles, excellons, excellez, )
    • rayonner verb (rayonne, rayonnes, rayonnons, rayonnez, )
    • étinceler verb (étincelle, étincelles, étincelons, étincelez, )
    • luire verb (luis, luit, luisons, luisez, )
    • scintiller verb (scintille, scintilles, scintillons, scintillez, )
    • resplendir verb (resplendis, resplendit, resplendissons, resplendissez, )
    • reluire verb (reluis, reluit, reluisons, reluisez, )
  3. glinsteren (schitteren)
    briller
    • briller verb (brille, brilles, brillons, brillez, )

Conjugations for glinsteren:

o.t.t.
  1. glinster
  2. glinstert
  3. glinstert
  4. glinsteren
  5. glinsteren
  6. glinsteren
o.v.t.
  1. glinsterde
  2. glinsterde
  3. glinsterde
  4. glinsterden
  5. glinsterden
  6. glinsterden
v.t.t.
  1. heb geglinsterd
  2. hebt geglinsterd
  3. heeft geglinsterd
  4. hebben geglinsterd
  5. hebben geglinsterd
  6. hebben geglinsterd
v.v.t.
  1. had geglinsterd
  2. had geglinsterd
  3. had geglinsterd
  4. hadden geglinsterd
  5. hadden geglinsterd
  6. hadden geglinsterd
o.t.t.t.
  1. zal glinsteren
  2. zult glinsteren
  3. zal glinsteren
  4. zullen glinsteren
  5. zullen glinsteren
  6. zullen glinsteren
o.v.t.t.
  1. zou glinsteren
  2. zou glinsteren
  3. zou glinsteren
  4. zouden glinsteren
  5. zouden glinsteren
  6. zouden glinsteren
diversen
  1. glinster!
  2. glinstert!
  3. geglinsterd
  4. glinsterend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for glinsteren:

VerbRelated TranslationsOther Translations
briller fonkelen; glimmen; glinsteren; schitteren blaken; blinken; excelleren; flikkeren; flitsen; fonkelen; glanzen; glitteren; iets uitstralen; licht geven; licht schijnen; licht uitzenden; lichten; onderscheiden; oplichten; overtreffen; schijnen; schitteren; sprankelen; stralen; twinkelen; uitblinken; uitblinken boven; uitmunten; uitsteken
exceller fonkelen; glinsteren; schitteren excelleren; onderscheiden; overtreffen; schitteren; uitblinken; uitblinken boven; uitmunten; uitsteken
luire fonkelen; glinsteren; schitteren blaken; blinken; gloren; iets uitstralen; licht geven; licht schijnen; licht uitzenden; schijnen; stralen
rayonner fonkelen; glinsteren; schitteren blaken; glunderen; iets uitstralen; licht geven; licht schijnen; licht uitzenden; schijnen; stralen; straling uitzenden; uitwaaieren; uitzwermen; verspreiden; waaieren; zich verspreiden
reluire fonkelen; glinsteren; schitteren blinken
resplendir fonkelen; glinsteren; schitteren blaken; flikkeren; fonkelen; glanzen; iets uitstralen; licht schijnen; licht uitzenden; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen
scintiller fonkelen; glimmen; glinsteren; schitteren mousseren; opbruisen; sprankelen; tintelen
étinceler fonkelen; glimmen; glinsteren; schitteren blaken; flikkeren; flonkeren; fonkelen; glanzen; iets uitstralen; licht schijnen; licht uitzenden; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen; vonken