Dutch

Detailed Translations for bewogen from Dutch to Swedish

bewogen:


Translation Matrix for bewogen:

ModifierRelated TranslationsOther Translations
emotionellt bewogen; gepassioneerd; gevoelvol; geëmotioneerd emotioneel; gevoelig
känslig bewogen; gepassioneerd; gevoelvol; geëmotioneerd delicaat; emotioneel; gevoelig; hachelijk; kregel; kritiek; lastig; netelig; penibel; precair; prikkelbaar; sensitief
känsligt bewogen; gepassioneerd; gevoelvol; geëmotioneerd delicaat; fijngevoelig; fijnzinnig; gevoelig; hachelijk; kregel; kritiek; lastig; netelig; penibel; precair; prikkelbaar; sensitief; teerbesnaard; teergevoelig; vatbaar
oroligt bewogen; onrustig; roerig; turbulent; veelbewogen; woelig angstig; bang; bevreesd; bezorgd; in angst; ongerust; onrustig; piekerig; roerig; rusteloos; tobberig; verontrust; verschrikt; vreesachtig; woelig; zwaartillend
retad aangedaan; bewogen; geroerd
rörd aangedaan; bewogen; geroerd geraakt; getoucheerd; ontroerd
tumultartad bewogen; onrustig; roerig; turbulent; veelbewogen; woelig
tumultartat bewogen; onrustig; roerig; turbulent; veelbewogen; woelig
turbulent bewogen; onrustig; roerig; turbulent; veelbewogen; woelig

Related Words for "bewogen":


bewegen:

bewegen verb (beweeg, beweegt, bewoog, bewogen, bewogen)

  1. bewegen (in beweging brengen; beroeren)
    sätta igång
  2. bewegen (zich verplaatsen)
    flytta; röra
    • flytta verb (flyttar, flyttade, flyttat)
    • röra verb (rör, rörde, rört)

Conjugations for bewegen:

o.t.t.
  1. beweeg
  2. beweegt
  3. beweegt
  4. bewegen
  5. bewegen
  6. bewegen
o.v.t.
  1. bewoog
  2. bewoog
  3. bewoog
  4. bewogen
  5. bewogen
  6. bewogen
v.t.t.
  1. heb bewogen
  2. hebt bewogen
  3. heeft bewogen
  4. hebben bewogen
  5. hebben bewogen
  6. hebben bewogen
v.v.t.
  1. had bewogen
  2. had bewogen
  3. had bewogen
  4. hadden bewogen
  5. hadden bewogen
  6. hadden bewogen
o.t.t.t.
  1. zal bewegen
  2. zult bewegen
  3. zal bewegen
  4. zullen bewegen
  5. zullen bewegen
  6. zullen bewegen
o.v.t.t.
  1. zou bewegen
  2. zou bewegen
  3. zou bewegen
  4. zouden bewegen
  5. zouden bewegen
  6. zouden bewegen
diversen
  1. beweeg!
  2. beweegt!
  3. bewogen
  4. bewegend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for bewegen:

NounRelated TranslationsOther Translations
flytta uitnemen
röra afdankertjes; allegaartje; bende; berg; bocht; geflikflooi; geklieder; gemier; gerotzooi; gezeur; hoop; hutspot; kliederboel; kliederen; knoeierij; mengelmoes; mengvoer; mikmak; opeenhoping; puinhoop; puinzooi; rommel; rotzooi; samenraapsel; smerig spul; troep; zooi; zootje
VerbRelated TranslationsOther Translations
flytta bewegen; zich verplaatsen disloqueren; iets verplaatsen; omruilen; omwisselen; overplaatsen; roeren; ruilen; schuivend verplaatsen; standplaats veranderen; verhuizen; verkassen; verleggen; verplaatsen; verrijden; verschikken; verschuiven; vertillen; vervoeren; verwisselen; verzetten; voor zich uitschuiven; wisselen
röra bewegen; zich verplaatsen aangaan; aanraken; aanroeren; aanstippen; aanstoken; belang inboezemen; beroeren; betreffen; even aanraken; gaan; mixen; ontroeren; oppoken; opstoken; raken; roeren; rondroeren; slaan op; toucheren; treffen; verroeren; voelen; zich begeven; zich bewegen; zitten aan; zorg inboezemen
sätta igång beroeren; bewegen; in beweging brengen initiëren; op gang brengen

Synonyms for "bewegen":


Related Definitions for "bewegen":

  1. ergens toe overhalen1
    • ik kon hem er niet toe bewegen mee te gaan1
  2. zorgen dat het van stand of plaats verandert1
    • Anita kan haar arm niet bewegen1

Wiktionary Translations for bewegen:


Cross Translation:
FromToVia
bewegen flytta sig; röra på sig; röra sig; flytta på sig move — to change place or posture; to go
bewegen röra; flytta move — to cause to change place or posture; to set in motion
bewegen röra move — to arouse the feelings or passions of
bewegen sporra spur — to urge or encourage to action, or to a more vigorous pursuit of an object; to incite; to stimulate; to instigate; to impel; to drive
bewegen röra på sig; sätta i rörelse; röra på; motionera bewegen — die Stellung eines Gegenstandes oder eines Teils davon (auch eines Teils von sich selbst) im Raum verändern
bewegen gripa; beröra; röra bewegenjemanden bewegen: psychisch beeindrucken
bewegen flytta; röra bewegen — etwas von einem Ort zum anderen schaffen
bewegen förflytta; förflytta sig fortbewegen — von einem Ort zum anderen bewegen[2]
bewegen föranleda; förorsaka; orsaka déterminerfixer les limites de, délimiter précisément.
bewegen röra; flytta; röra sig; röras mouvoirdéplacer, faire aller d’un lieu à un autre, mettre en mouvement.