Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. inwijden:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for inwijden from Dutch to Swedish

inwijden:

inwijden verb (wijd in, wijdt in, wijdde in, wijdden in, ingewijd)

  1. inwijden (plechtig bevestigen; inaugureren; inhuldigen)
    installera; insätta i ämbetet
    • installera verb (installerar, installerade, installerat)
    • insätta i ämbetet verb (insätt i ämbetet, insättad i ämbetet, insatt i ämbetet)
  2. inwijden (inzegenen; wijden; zegenen; heiligen)
    välsigna; helga
    • välsigna verb (välsignar, välsignade, välsignat)
    • helga verb (helgar, helgade, helgat)

Conjugations for inwijden:

o.t.t.
  1. wijd in
  2. wijdt in
  3. wijdt in
  4. wijden in
  5. wijden in
o.v.t.
  1. wijdde in
  2. wijdde in
  3. wijdde in
  4. wijdden in
  5. wijdden in
  6. wijdden in
v.t.t.
  1. heb ingewijd
  2. hebt ingewijd
  3. heeft ingewijd
  4. hebben ingewijd
  5. hebben ingewijd
  6. hebben ingewijd
v.v.t.
  1. had ingewijd
  2. had ingewijd
  3. had ingewijd
  4. hadden ingewijd
  5. hadden ingewijd
  6. hadden ingewijd
o.t.t.t.
  1. zal inwijden
  2. zult inwijden
  3. zal inwijden
  4. zullen inwijden
  5. zullen inwijden
  6. zullen inwijden
o.v.t.t.
  1. zou inwijden
  2. zou inwijden
  3. zou inwijden
  4. zouden inwijden
  5. zouden inwijden
  6. zouden inwijden
en verder
  1. ben ingewijd
  2. bent ingewijd
  3. is ingewijd
  4. zijn ingewijd
  5. zijn ingewijd
  6. zijn ingewijd
diversen
  1. wijd in!
  2. wijdt in!
  3. ingewijd
  4. inwijdend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for inwijden:

VerbRelated TranslationsOther Translations
helga heiligen; inwijden; inzegenen; wijden; zegenen
installera inaugureren; inhuldigen; inwijden; plechtig bevestigen aanstellen; benoemen; inrichten; installeren
insätta i ämbetet inaugureren; inhuldigen; inwijden; plechtig bevestigen
välsigna heiligen; inwijden; inzegenen; wijden; zegenen

Wiktionary Translations for inwijden:


Cross Translation:
FromToVia
inwijden signa; välsigna bénir — (religion) consacrer au culte, au service divin avec certaines cérémonies.

External Machine Translations: