Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. toespelen:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for toespelen from Dutch to Swedish

toespelen:

toespelen verb (speel toe, speelt toe, speelde toe, speelden toe, toegespeeld)

  1. toespelen (zinspelen)
    anspela på
    • anspela på verb (anspelar på, anspelade på, anspelat på)

Conjugations for toespelen:

o.t.t.
  1. speel toe
  2. speelt toe
  3. speelt toe
  4. spelen toe
  5. spelen toe
  6. spelen toe
o.v.t.
  1. speelde toe
  2. speelde toe
  3. speelde toe
  4. speelden toe
  5. speelden toe
  6. speelden toe
v.t.t.
  1. heb toegespeeld
  2. hebt toegespeeld
  3. heeft toegespeeld
  4. hebben toegespeeld
  5. hebben toegespeeld
  6. hebben toegespeeld
v.v.t.
  1. had toegespeeld
  2. had toegespeeld
  3. had toegespeeld
  4. hadden toegespeeld
  5. hadden toegespeeld
  6. hadden toegespeeld
o.t.t.t.
  1. zal toespelen
  2. zult toespelen
  3. zal toespelen
  4. zullen toespelen
  5. zullen toespelen
  6. zullen toespelen
o.v.t.t.
  1. zou toespelen
  2. zou toespelen
  3. zou toespelen
  4. zouden toespelen
  5. zouden toespelen
  6. zouden toespelen
en verder
  1. ben toegespeeld
  2. bent toegespeeld
  3. is toegespeeld
  4. zijn toegespeeld
  5. zijn toegespeeld
  6. zijn toegespeeld
diversen
  1. speel toe!
  2. speelt toe!
  3. toegespeeld
  4. toespelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for toespelen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
anspela på toespelen; zinspelen

Wiktionary Translations for toespelen:


Cross Translation:
FromToVia
toespelen alludera; anspela insinuerintroduire doucement et adroitement quelque chose.

External Machine Translations: