Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. voorbijzien:


Dutch

Detailed Translations for voorbijzien from Dutch to Swedish

voorbijzien:

voorbijzien verb (zie voorbij, ziet voorbij, zag voorbij, zagen voorbij, voorbij gezien)

  1. voorbijzien
    missa; se förbi
    • missa verb (missar, missade, missat)
    • se förbi verb (ser förbi, såg förbi, sett förbi)

Conjugations for voorbijzien:

o.t.t.
  1. zie voorbij
  2. ziet voorbij
  3. ziet voorbij
  4. zien voorbij
  5. zien voorbij
  6. zien voorbij
o.v.t.
  1. zag voorbij
  2. zag voorbij
  3. zag voorbij
  4. zagen voorbij
  5. zagen voorbij
  6. zagen voorbij
v.t.t.
  1. heb voorbij gezien
  2. hebt voorbij gezien
  3. heeft voorbij gezien
  4. hebben voorbij gezien
  5. hebben voorbij gezien
  6. hebben voorbij gezien
v.v.t.
  1. had voorbij gezien
  2. had voorbij gezien
  3. had voorbij gezien
  4. hadden voorbij gezien
  5. hadden voorbij gezien
  6. hadden voorbij gezien
o.t.t.t.
  1. zal voorbijzien
  2. zult voorbijzien
  3. zal voorbijzien
  4. zullen voorbijzien
  5. zullen voorbijzien
  6. zullen voorbijzien
o.v.t.t.
  1. zou voorbijzien
  2. zou voorbijzien
  3. zou voorbijzien
  4. zouden voorbijzien
  5. zouden voorbijzien
  6. zouden voorbijzien
diversen
  1. zie voorbij!
  2. ziet voorbij!
  3. voorbij gezien
  4. voorbijziend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for voorbijzien:

VerbRelated TranslationsOther Translations
missa voorbijzien afwezig zijn; iets mislopen; mankeren; mislopen; missen; mistasten; ontbreken; verzuimen
se förbi voorbijzien