Dutch
Detailed Translations for verlangen from Dutch to Spanish
verlangen:
-
verlangen (begeren)
-
verlangen (vergen; vereisen; eisen)
-
verlangen (van hoop vervuld zijn; hopen; spinzen)
esperar; desear; confiar en; querer; ir consumiéndose; consumirse-
esperar verb
-
desear verb
-
confiar en verb
-
querer verb
-
ir consumiéndose verb
-
consumirse verb
-
Conjugations for verlangen:
o.t.t.
- verlang
- verlangt
- verlangt
- verlangen
- verlangen
- verlangen
o.v.t.
- verlangde
- verlangde
- verlangde
- verlangden
- verlangden
- verlangden
v.t.t.
- heb verlangd
- hebt verlangd
- heeft verlangd
- hebben verlangd
- hebben verlangd
- hebben verlangd
v.v.t.
- had verlangd
- had verlangd
- had verlangd
- hadden verlangd
- hadden verlangd
- hadden verlangd
o.t.t.t.
- zal verlangen
- zult verlangen
- zal verlangen
- zullen verlangen
- zullen verlangen
- zullen verlangen
o.v.t.t.
- zou verlangen
- zou verlangen
- zou verlangen
- zouden verlangen
- zouden verlangen
- zouden verlangen
diversen
- verlang!
- verlangt!
- verlangd
- verlangend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze