| Noun | Related Translations | Other Translations |
|
achteruitgaan
|
|
achteruitgaan; afnemen; verminderen in kracht
|
|
afleggen
|
afleggen; bezwijken
|
|
|
bezwijken
|
afleggen; bezwijken
|
|
|
heengaan
|
|
heengaan; vertrekken
|
|
instorten
|
|
ineenstorten; instorten
|
|
overlijden
|
|
dood; overlijden; verscheiden
|
|
vallen
|
|
tuimelen; vallen
|
|
vergaan
|
|
bederf; bederven; ontbinding; vergaan; verrotten; verwording
|
|
verrotten
|
|
bederf; bederven; ontbinding; vergaan; verrotten; verwording
|
|
wegvallen
|
|
uitvallen; wegvallen
|
| Verb | Related Translations | Other Translations |
|
achteruitgaan
|
achteruitgaan; bezwijken; instorten; tenondergaan; teruggaan; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten; zinken
|
achteruitdeinzen; achteruitgaan; afnemen; declineren; degenereren; minder worden; ontaarden; terugdeinzen; terugschrikken; terugwijken; verderven; verworden
|
|
afleggen
|
afleggen; bezwijken; het onderspit delven; tenondergaan
|
afleggen; meters maken
|
|
bezwijken
|
achteruitgaan; afleggen; bezwijken; doodgaan; heengaan; het onderspit delven; in elkaar storten; inslapen; instorten; omkomen; ondergaan; overlijden; sneuvelen; sterven; te gronde gaan; tenondergaan; teruggaan; vallen; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten; wegvallen; zinken
|
|
|
doodgaan
|
bezwijken; doodgaan; heengaan; inslapen; omkomen; overlijden; sneuvelen; sterven; vallen; wegvallen
|
doodgaan; heengaan; inslapen; kapotgaan; omkomen; ontslapen; overlijden; sterven; verscheiden
|
|
heengaan
|
bezwijken; doodgaan; heengaan; inslapen; omkomen; overlijden; sneuvelen; sterven; vallen; wegvallen
|
afreizen; doodgaan; gaan; heengaan; inslapen; ontslapen; opbreken; opstappen; overlijden; sterven; verdwijnen; verlaten; verscheiden; vertrekken; weggaan; wegreizen; wegtrekken
|
|
het onderspit delven
|
afleggen; bezwijken; het onderspit delven; tenondergaan
|
het onderspit delven; strijd verliezen; tenondergaan
|
|
in elkaar storten
|
bezwijken; in elkaar storten; ondergaan; te gronde gaan
|
in elkaar storten; ten gronde gaan
|
|
inslapen
|
bezwijken; doodgaan; heengaan; inslapen; omkomen; overlijden; sneuvelen; sterven; vallen; wegvallen
|
doodgaan; heengaan; inslapen; ontslapen; overlijden; sterven; verscheiden
|
|
instorten
|
achteruitgaan; bezwijken; instorten; tenondergaan; teruggaan; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten; zinken
|
imploderen; ineenstorten; instorten
|
|
omkomen
|
bezwijken; doodgaan; heengaan; inslapen; omkomen; overlijden; sneuvelen; sterven; vallen; wegvallen
|
doodgaan; kapotgaan; omkomen; overlijden; sterven
|
|
ondergaan
|
bezwijken; in elkaar storten; ondergaan; te gronde gaan
|
onder water gaan; ondergaan; te gronde gaan; ten ondergaan; zinken
|
|
overlijden
|
bezwijken; doodgaan; heengaan; inslapen; omkomen; overlijden; sneuvelen; sterven; vallen; wegvallen
|
doodgaan; heengaan; inslapen; kapotgaan; omkomen; ontslapen; overlijden; sterven; verscheiden
|
|
sneuvelen
|
bezwijken; doodgaan; heengaan; inslapen; omkomen; overlijden; sneuvelen; sterven; vallen; wegvallen
|
breken; in de oorlog omkomen; kapot gaan; sneuvelen; stuk gaan
|
|
sterven
|
bezwijken; doodgaan; heengaan; inslapen; omkomen; overlijden; sneuvelen; sterven; vallen; wegvallen
|
afsterven; doodgaan; heengaan; inslapen; kapotgaan; omkomen; ontslapen; ophouden; overlijden; sterven; uitsterven; verscheiden
|
|
te gronde gaan
|
bezwijken; in elkaar storten; ondergaan; te gronde gaan
|
ondergaan; te gronde gaan; ten ondergaan
|
|
tenondergaan
|
achteruitgaan; afleggen; bezwijken; het onderspit delven; instorten; tenondergaan; teruggaan; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten; zinken
|
het onderspit delven; strijd verliezen; tenondergaan
|
|
teruggaan
|
achteruitgaan; bezwijken; instorten; tenondergaan; teruggaan; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten; zinken
|
afnemen; dalen; dateren; declineren; keren; minder worden; minderen; omkeren; tanen; teruggaan; teruggrijpen; verminderen; vervallen
|
|
vallen
|
bezwijken; doodgaan; heengaan; inslapen; omkomen; overlijden; sneuvelen; sterven; vallen; wegvallen
|
flikkeren; inzakken; kelderen; kiepen; kieperen; naar beneden vallen; omlaagstorten; omlaagvallen; onderuitgaan; op zijn bek gaan; sterk afnemen; ten val komen; teruglopen; tuimelen; vallen
|
|
vergaan
|
achteruitgaan; bezwijken; instorten; tenondergaan; teruggaan; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten; zinken
|
aflopen; bederven; ontbinden; rotten; ten onder gaan; vergaan; verkommeren; verlopen; verrotten; verstrijken; verteren; vervallen; voorbijgaan; wegrotten
|
|
verrotten
|
achteruitgaan; bezwijken; instorten; tenondergaan; teruggaan; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten; zinken
|
bederven; ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten
|
|
verteren
|
achteruitgaan; bezwijken; instorten; tenondergaan; teruggaan; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten; zinken
|
afdragen; doorleven; doorstaan; ontbinden; rotten; slijten; uitgeven voor een maaltijd; verdragen; verduren; vergaan; verrotten; verslijten; verteren; wegrotten
|
|
wegrotten
|
achteruitgaan; bezwijken; instorten; tenondergaan; teruggaan; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten; zinken
|
bederven; ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten
|
|
wegvallen
|
bezwijken; doodgaan; heengaan; inslapen; omkomen; overlijden; sneuvelen; sterven; vallen; wegvallen
|
|
|
zinken
|
achteruitgaan; bezwijken; instorten; tenondergaan; teruggaan; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten; zinken
|
onder water gaan; ondergaan; zinken
|
| Adjective | Related Translations | Other Translations |
|
zinken
|
|
zinken
|
| Modifier | Related Translations | Other Translations |
|
vergaan
|
|
bedorven; rot; rottig; slecht; vergaan; verrot
|
|
wegvallen
|
|
uitgevallen; wegvallen
|