Dutch

Detailed Translations for kras from Dutch to Spanish

kras:

kras [de ~] noun

  1. de kras (pennekras; haal)
    la raya; la línea; el arañazo; el trazo
  2. de kras (schram; krab; krabwond)
    el rasguño; el arañazo

Translation Matrix for kras:

NounRelated TranslationsOther Translations
arañazo haal; krab; krabwond; kras; pennekras; schram schrammetje
línea haal; kras; pennekras aansluiting; band; connectie; gelid; gezichtsrimpel; liaison; lijn; lijntje; linie; link; regel; relatie; rij; rimpel; samenhang; schriftlijn; streep; streepje; verband; verbinding
rasguño krab; krabwond; kras; schram schrammetje
raya haal; kras; pennekras afscheiding; band; beschot; boekdeel; chocolade; chocoladereep; deel; gelid; geluidsniveau; gezichtsrimpel; haarband; haarlint; hek; hekwerk; lijn; linie; lint; reep; rij; rimpel; rog; schot; streep; tussenmuur; tussenmuurtje; tussenschot; volume
trazo haal; kras; pennekras gezichtsrimpel; kwaststreek; rimpel

Related Words for "kras":


Wiktionary Translations for kras:


Cross Translation:
FromToVia
kras activo actif — Qui agir ou qui a la vertu d’agir.
kras vivo vif — Qui est en vie.
kras alerta; atento vigilant — Qui veille avec attention.

kras form of krassen:

krassen verb (kras, krast, kraste, krasten, gekrast)

  1. krassen (zich krabben)

Conjugations for krassen:

o.t.t.
  1. kras
  2. krast
  3. krast
  4. krassen
  5. krassen
  6. krassen
o.v.t.
  1. kraste
  2. kraste
  3. kraste
  4. krasten
  5. krasten
  6. krasten
v.t.t.
  1. heb gekrast
  2. hebt gekrast
  3. heeft gekrast
  4. hebben gekrast
  5. hebben gekrast
  6. hebben gekrast
v.v.t.
  1. had gekrast
  2. had gekrast
  3. had gekrast
  4. hadden gekrast
  5. hadden gekrast
  6. hadden gekrast
o.t.t.t.
  1. zal krassen
  2. zult krassen
  3. zal krassen
  4. zullen krassen
  5. zullen krassen
  6. zullen krassen
o.v.t.t.
  1. zou krassen
  2. zou krassen
  3. zou krassen
  4. zouden krassen
  5. zouden krassen
  6. zouden krassen
en verder
  1. ben gekrast
  2. bent gekrast
  3. is gekrast
  4. zijn gekrast
  5. zijn gekrast
  6. zijn gekrast
diversen
  1. kras!
  2. krast!
  3. gekrast
  4. krassend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

krassen [het ~] noun

  1. het krassen (gekras)
    el rasgueo; el chirrido; el rechinar; el rechinamiento

Translation Matrix for krassen:

NounRelated TranslationsOther Translations
chillar joelen
chirrido gekras; krassen bluf; branie; dikdoenerij; gebluf; gebral; gekrab; gepiep; gepoch; geschetter; getjilp; getrompetter; grootspraak; opschepperij; snoeverij
rascar krabsel
rasgueo gekras; krassen gekrab; krabsel
rechinamiento gekras; krassen gekrab
rechinar gekras; krassen gekrab
VerbRelated TranslationsOther Translations
arañar krassen; zich krabben afkrabben; bijeenschrapen; openkrabben; schrapen; schrappen
arrastrar por el suelo krassen; zich krabben
cascar krassen; zich krabben afkraken; afranselen; babbelen; declineren; een krakend geluid maken; huizen kraken; iemand toetakelen; ijlen; kakelen; katten; kletsen; knakken; kraken; kritiseren; kwaken; kwebbelen; kwetteren; onzin uitkramen; onzin verkopen; raaskallen; ratelen; snateren; verbuigen; vervoegen; wartaal spreken
chillar krassen; zich krabben blaffen; blèren; brullen; bulderen; daveren; emmeren; fluisteren; foeteren; gillen; het uitgillen; huilen; janken; joelen; knarsen; krijsen; lispelen; luidkeels iets verkondigen; piepen; roepen; schetteren; schreeuwen; sissen; tetteren; uitbrullen; uitgillen; uitjouwen; uitkrijsen; uitroepen; uitschreeuwen; zich beklagen
descifrar krassen; zich krabben afkraken; dechiffreren; decoderen; katten; kraken; kritiseren; ontcijferen; ontknopen; ontraadselen; ontrafelen; ontsleutelen; ontwarren; oplossen; tot een oplossing brengen; uitpluizen; uitrafelen; uitvezelen; uitzoeken
rascar krassen; zich krabben afkrabben; knorren; oogsten; plukken; ronken; schrapen; schrappen; snorren; verzamelen; zagen
rascarse krassen; zich krabben
rechinar knarsen

Related Words for "krassen":


Wiktionary Translations for krassen:


Cross Translation:
FromToVia
krassen rascar scratch — To rub a surface with a sharp object
krassen graznar; carraspear croasserpousser le cri particulier à son espèce, parler d’un corbeau.
krassen rascar; raspar; raer gratterracler pour nettoyer, pour effacer ou pour polir.
krassen chirriar; rechinar grincerproduire un bruit aigre en serrer les dents les unes contre les autres sous l’action de l’agacement, de la douleur ou de la colère.