Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. tussenspringen:


Dutch

Detailed Translations for tussenspringen from Dutch to Spanish

tussenspringen:

tussenspringen verb (spring tussen, springt tussen, sprong tussen, sprongen tussen, tussengesprongen)

  1. tussenspringen

Conjugations for tussenspringen:

o.t.t.
  1. spring tussen
  2. springt tussen
  3. springt tussen
  4. springen tussen
  5. springen tussen
  6. springen tussen
o.v.t.
  1. sprong tussen
  2. sprong tussen
  3. sprong tussen
  4. sprongen tussen
  5. sprongen tussen
  6. sprongen tussen
v.t.t.
  1. heb tussengesprongen
  2. hebt tussengesprongen
  3. heeft tussengesprongen
  4. hebben tussengesprongen
  5. hebben tussengesprongen
  6. hebben tussengesprongen
v.v.t.
  1. had tussengesprongen
  2. had tussengesprongen
  3. had tussengesprongen
  4. hadden tussengesprongen
  5. hadden tussengesprongen
  6. hadden tussengesprongen
o.t.t.t.
  1. zal tussenspringen
  2. zult tussenspringen
  3. zal tussenspringen
  4. zullen tussenspringen
  5. zullen tussenspringen
  6. zullen tussenspringen
o.v.t.t.
  1. zou tussenspringen
  2. zou tussenspringen
  3. zou tussenspringen
  4. zouden tussenspringen
  5. zouden tussenspringen
  6. zouden tussenspringen
en verder
  1. ben tussengesprongen
  2. bent tussengesprongen
  3. is tussengesprongen
  4. zijn tussengesprongen
  5. zijn tussengesprongen
  6. zijn tussengesprongen
diversen
  1. spring tussen!
  2. springt tussen!
  3. tussengesprongen
  4. tussenspringend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for tussenspringen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
intervenir tussenspringen bemiddelen; ingrijpen; interfereren; interrumperen; interveniëren; optreden; performen; spelen; tussenbeide komen; tussenkomen
ModifierRelated TranslationsOther Translations
intervenir tussenbeide