Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. vastgebonden:
  2. vastbinden:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for vastgebonden from Dutch to Swedish

vastgebonden:

vastgebonden adj

  1. vastgebonden (geboeid)

Translation Matrix for vastgebonden:

ModifierRelated TranslationsOther Translations
bundet geboeid; vastgebonden gebonden; niet vrij; onvrij
fastbunden geboeid; vastgebonden
fastbundet geboeid; vastgebonden

vastbinden:

vastbinden verb (bind vast, bindt vast, bond vast, bonden vast, vastgebonden)

  1. vastbinden (knevelen; binden; strikken; vastmaken; knopen)
    bakbinda; binda fast; fjättra
    • bakbinda verb (bakbinder, bakband, bakbundit)
    • binda fast verb (binder fast, band fast, bundit fast)
    • fjättra verb (fjättrar, fjättrade, fjättrat)
  2. vastbinden (vastsjorren)
    binda; fastsurra; knyta; piska; surra; prygla
    • binda verb (binder, band, bundit)
    • fastsurra verb (fastsurrar, fastsurrade, fastsurrat)
    • knyta verb (knyter, knöt, knuttit)
    • piska verb (piskar, piskade, piskat)
    • surra verb (surrar, surrade, surrat)
    • prygla verb (pryglar, pryglade, pryglat)
  3. vastbinden (vastmeren; aanleggen; aanmeren; )
    förtöja
    • förtöja verb (förtöjer, förtöjde, förtöjt)
  4. vastbinden (vastmaken; vastleggen; bevestigen; )
    fastknyta; fastbinda; fästa
    • fastknyta verb (fastknyter, fastknöt, fastknutit)
    • fastbinda verb (fastbinder, fastband, fastbundit)
    • fästa verb (fästar, fästade, fästat)

Conjugations for vastbinden:

o.t.t.
  1. bind vast
  2. bindt vast
  3. bindt vast
  4. binden vast
  5. binden vast
  6. binden vast
o.v.t.
  1. bond vast
  2. bond vast
  3. bond vast
  4. bonden vast
  5. bonden vast
  6. bonden vast
v.t.t.
  1. heb vastgebonden
  2. hebt vastgebonden
  3. heeft vastgebonden
  4. hebben vastgebonden
  5. hebben vastgebonden
  6. hebben vastgebonden
v.v.t.
  1. had vastgebonden
  2. had vastgebonden
  3. had vastgebonden
  4. hadden vastgebonden
  5. hadden vastgebonden
  6. hadden vastgebonden
o.t.t.t.
  1. zal vastbinden
  2. zult vastbinden
  3. zal vastbinden
  4. zullen vastbinden
  5. zullen vastbinden
  6. zullen vastbinden
o.v.t.t.
  1. zou vastbinden
  2. zou vastbinden
  3. zou vastbinden
  4. zouden vastbinden
  5. zouden vastbinden
  6. zouden vastbinden
en verder
  1. ben vastgebonden
  2. bent vastgebonden
  3. is vastgebonden
  4. zijn vastgebonden
  5. zijn vastgebonden
  6. zijn vastgebonden
diversen
  1. bind vast!
  2. bindt vast!
  3. vastgebonden
  4. vastbindend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for vastbinden:

NounRelated TranslationsOther Translations
binda damesverband; maandverband; windsel
piska zweep
surra gehum; geneurie
VerbRelated TranslationsOther Translations
bakbinda binden; knevelen; knopen; strikken; vastbinden; vastmaken
binda vastbinden; vastsjorren aan een touw vastleggen; aan elkaar binden; aan elkaar knopen; in de val laten lopen; knopen; strikken; vastknopen; vastleggen; vastsnoeren; verbinden
binda fast binden; knevelen; knopen; strikken; vastbinden; vastmaken afbinden; afsnoeren; dichtbinden; om het lijf binden; ombinden; omwinden; onderbinden; toebinden
fastbinda bevestigen; vastbinden; vastleggen; vastmaken; vastzetten; verbinden; verzekeren dichtbinden; toebinden
fastknyta bevestigen; vastbinden; vastleggen; vastmaken; vastzetten; verbinden; verzekeren
fastsurra vastbinden; vastsjorren
fjättra binden; knevelen; knopen; strikken; vastbinden; vastmaken
fästa bevestigen; vastbinden; vastleggen; vastmaken; vastzetten; verbinden; verzekeren aan een touw vastleggen; aan elkaar binden; aan elkaar knopen; aanhaken; aanhechten; aankoppelen; bevestigen; hechten; implanteren; in de val laten lopen; inplanten; knopen; strikken; uitlijnen; vasthaken; vastknopen; vastkoppelen; vastleggen
förtöja aanleggen; aanmeren; afmeren; meren; vastbinden; vastleggen; vastmaken; vastmeren
knyta vastbinden; vastsjorren aan elkaar binden; aan elkaar knopen; in de val laten lopen; knopen; samenballen; strikken; vastknopen
piska vastbinden; vastsjorren klutsen
prygla vastbinden; vastsjorren knuppelen; ranselen
surra vastbinden; vastsjorren brommen; dreinen; drenzen; dwingend huilen; gonzen; jengelen; roezemoezen; zoemen; zoeven

Related Definitions for "vastbinden":

  1. er zo omheen doen dat het vast zit1
    • ze hebben zijn handen vastgebonden1

Wiktionary Translations for vastbinden:


Cross Translation:
FromToVia
vastbinden fästa; ståltråd wire — to fasten with wire
vastbinden befästa; fästa; binda; snöra attacherfixer une chose à une autre, en sorte qu’elle y tenir.
vastbinden binda; snöra nouerlier au moyen d’un nœud, d'un lien.
vastbinden binda; snöra relierlier de nouveau, refaire le nœud qui liait et qui est défaire.