Detailed Translations for anticipate from English to Dutch


to anticipate verb (anticipates, anticipated, anticipating)

  1. to anticipate (foresee)
    voorzien; tevoren zien
    • voorzien verb (voorzie, voorziet, voorzag, voorzagen, voorzien)
    • tevoren zien verb (zie tevoren, ziet tevoren, zag tevoren, zagen tevoren, tevoren gezien)
  2. to anticipate (expect; look forward to; look forward)
    verwachten; uitkijken naar; tegemoetzien; vooruitzien
    • verwachten verb (verwacht, verwachtte, verwachtten, verwacht)
    • uitkijken naar verb (kijk uit naar, kijkt uit naar, keek uit naar, keken uit naar, uitgekeken naar)
    • tegemoetzien verb (zie tegemoet, ziet tegemoet, zag tegemoet, zagen tegemoet, tegemoet gezien)
    • vooruitzien verb (zie vooruit, ziet vooruit, zag vooruit, zagen vooruit, vooruitgezien)
  3. to anticipate
    anticiperen; vooruitlopen op; vooruitkijken
    • anticiperen verb (anticipeer, anticipeert, anticipeerde, anticipeerden, geanticipeerd)
    • vooruitkijken verb (kijk vooruit, kijkt vooruit, keek vooruit, keken vooruit, vooruit gekeken)
  4. to anticipate (sense)
    – realize beforehand 1
    aanvoelen; voorvoelen
    • aanvoelen verb (voel aan, voelt aan, voelde aan, voelden aan, aangevoeld)
    • voorvoelen verb (voorvoel, voorvoelt, voorvoelde, voorvoelden, voorvoeld)

Conjugations for anticipate:

  1. anticipate
  2. anticipate
  3. anticipates
  4. anticipate
  5. anticipate
  6. anticipate
simple past
  1. anticipated
  2. anticipated
  3. anticipated
  4. anticipated
  5. anticipated
  6. anticipated
present perfect
  1. have anticipated
  2. have anticipated
  3. has anticipated
  4. have anticipated
  5. have anticipated
  6. have anticipated
past continuous
  1. was anticipating
  2. were anticipating
  3. was anticipating
  4. were anticipating
  5. were anticipating
  6. were anticipating
  1. shall anticipate
  2. will anticipate
  3. will anticipate
  4. shall anticipate
  5. will anticipate
  6. will anticipate
continuous present
  1. am anticipating
  2. are anticipating
  3. is anticipating
  4. are anticipating
  5. are anticipating
  6. are anticipating
  1. be anticipated
  2. be anticipated
  3. be anticipated
  4. be anticipated
  5. be anticipated
  6. be anticipated
  1. anticipate!
  2. let's anticipate!
  3. anticipated
  4. anticipating
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Translation Matrix for anticipate:

NounRelated TranslationsOther Translations
aanvoelen feeling; knack
anticiperen anticipating; precedes; preliminary
vooruitlopen op anticipating; precedes; preliminary
VerbRelated TranslationsOther Translations
aanvoelen anticipate; sense
anticiperen anticipate
tegemoetzien anticipate; expect; look forward; look forward to
tevoren zien anticipate; foresee
uitkijken naar anticipate; expect; look forward; look forward to be on the lookout; keep an eye out; look out for; watch for; watch out
verwachten anticipate; expect; look forward; look forward to
vooruitkijken anticipate
vooruitlopen op anticipate
vooruitzien anticipate; expect; look forward; look forward to
voorvoelen anticipate; sense
voorzien anticipate; foresee
- call; counter; expect; forebode; foreknow; foresee; forestall; foretell; look for; look to; predict; previse; prognosticate; promise
OtherRelated TranslationsOther Translations
- forestall

Related Words for "anticipate":

Synonyms for "anticipate":

Related Definitions for "anticipate":

  1. be a forerunner of or occur earlier than1
    • This composition anticipates Impressionism1
  2. regard something as probable or likely1
  3. realize beforehand1
    • A good boxer can anticipate the moves of his opponent.2
  4. make a prediction about; tell in advance1
  5. be excited or anxious about1
  6. act in advance of; deal with ahead of time1

Wiktionary Translations for anticipate:

Cross Translation:
anticipate rekenen rechnenrechnen mit: stark vermuten, dass etwas geschehen wird; voraussehen
anticipate anticiperen; prejudiciëren; vooruitlopen; vooruitlopen op anticiperdevancer.
anticipate voorafgaan; voorgaan; voorlopen; vooropgaan; voor zijn précéderaller devant ; marcher devant.
anticipate voorkomen prévenir — (vieilli) devancer, venir avant.